ECLI:NL:HR:2012:BV9208

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01552
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep volgens art. 416 lid 2 Sv

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof te Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat hij geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis. Het hof oordeelde dat er geen rechtens te beschermen belang was bij onderzoek van de zaak zelf, conform artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte stelde in cassatie dat deze niet-ontvankelijkverklaring onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie (LJN BK0910) dat de toetsingsruimte in cassatie van een op art. 416.2 Sv gegrond oordeel zeer beperkt is, omdat het hof een waardering maakt die aan de feitenrechter is voorbehouden.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is, ook zonder nadere motivering. De door verdachte aangevoerde gebreken aan het vonnis in eerste aanleg doen hieraan niet af. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep stand houdt.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep.

Uitspraak

29 mei 2012
Strafkamer
nr. S 11/01552
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2011, nummer 23/000531-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep ontoereikend is gemotiveerd.
2.2. Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:
"Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf, zal hij gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaard worden in het ingestelde hoger beroep."
2.3. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat de beslissing als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat diens oordeel daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (vgl. HR 2 februari 2010, LJN BK0910, NJ 2010/88). De beslissing van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Hetgeen in het middel wordt betoogd met betrekking tot de gebreken die zouden kleven aan het vonnis in eerste aanleg, doet daaraan niet af.
2.4. Het middel faalt derhalve.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 29 mei 2012.