Conclusie
eerste middelklaagt over een schending van verdachtes aanwezigheidsrecht, aangezien het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het aanhoudingsverzoek wegens afwezigheid van de verdachte heeft afgewezen.
‘schorsing van het onderzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd’. Eind vorig jaar heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen inzake de beoordeling van aanhoudingsverzoeken die verband houden met het aanwezigheidsrecht van de verdachte. [2] Op grond daarvan moet – voor zover hier van belang - worden uitgegaan van het navolgende. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279, eerste lid, Sv bedoelde machtiging. In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Indien de rechter de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd. Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid evenwel achterwege laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd – ware het juist – bij een afweging van het belang van een behoorlijke strafvordering – welke omvat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn – tegen het belang van de verdacht om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn, niet tot toewijzing van het verzoek leidt. Nadat in voorkomende gevallen wél gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek zonder dat tot een belangenafweging wordt overgegaan, afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. [3] Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. In cassatie kan die motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.
‘omdat verdachte niet om aanhouding van de onderhavige strafzaak heeft verzocht’,ligt de opvatting besloten dat het aanhoudingsverzoek dat door een niet-gemachtigd raadsman namens de niet-verschenen verdachte wordt gedaan, dient te zijn gebaseerd op een uitdrukkelijke instructie van de verdachte. In dit geval heeft zijn raadsvrouw uit het bericht dat zij aan de vooravond van de terechtzitting van het hof van de verdachte had ontvangen, afgeleid dat hij niet in de gelegenheid is om bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn, maar wel graag van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Op grond hiervan heeft zij namens de verdachte het hof verzocht de behandeling van de zaak ter terechtzitting aan te houden. Een advocaat die niet op de voet van art. 279 Sv Pro is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van een niet ter terechtzitting verschenen verdachte, kan het woord voeren ter toelichting van de afwezigheid van verdachte en verzoeken om aanhouding met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van verdachte. Nu uit het ontbreken van een uitdrukkelijke instructie van de verdachte tot het verzoeken om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht en de raadsvrouw uit het bericht van de verdachte heeft afgeleid dat hij daarvan wél gebruik wenst te maken, moet zij bevoegd worden geacht in het belang van de verdachte een aanhoudingsverzoek te doen. De opvatting dat het doen een dergelijk verzoek afhankelijk zou zijn van een uitdrukkelijke instructie van de verdachte, vindt geen steun in het recht. Daarmee slaagt ook de tweede deelklacht.
tweede middelkomt op tegen de motivering van de beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep, gelet op de aan het vonnis in eerste aanleg klevende gebreken.