ECLI:NL:HR:2012:BV9958

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01629
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. II WLAArt. 1:401 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot beëindiging of verlaging van alimentatie bij wijziging omstandigheden

In deze zaak verzocht de man, woonachtig te een woonplaats, om cassatie tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 januari 2011, waarin zijn verzoek tot beëindiging of verlaging van alimentatie werd afgewezen. De procedure betreft een echtscheidingszaak waarbij de man op grond van art. II WLA en art. 1:401 BW Pro een wijziging van omstandigheden aanvoerde die recht zou geven op aanpassing van de alimentatie.

De vrouw, eveneens woonachtig te een woonplaats, heeft geen verweerschrift ingediend in cassatie. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het beroep. De advocaat van de man reageerde op deze conclusie, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad verwees naar de eerdere beschikkingen van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof te 's-Gravenhage en stelde dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Het beroep werd derhalve verworpen en de beschikking van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.

Uitspraak

8 juni 2012
Eerste Kamer
11/01629
TT/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 321241 / F2 RK 08-3394 van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2009 (tussenbeschikking) en 9 november 2009 (eindbeschikking);
b. de beschikking in de zaak 200.056.488/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 januari 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 6 april 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 8 juni 2012.