ECLI:NL:HR:2012:BW4761
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- E.N. Punt
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing over vergoeding voor verschuiving winstrechten aanmerkelijkbelangaandelen
Belanghebbende, samen met zijn broers houder van een aanmerkelijk belang in A B.V., wijzigde in 2001 de statuten van A waardoor hun winstgerechtigdheid werd verminderd ten gunste van B B.V. Hiervoor ontvingen zij een schadeloosstelling van ruim €4,5 miljoen, die in 2001 werd bijgeschreven op hun rekeningen-courant. De opschortende voorwaarde werd in 2004 vervuld, waarna de Belastingdienst een aanslag inkomstenbelasting oplegde over dit bedrag.
De Rechtbank Haarlem en het Hof Amsterdam verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigden dat de schadeloosstelling als vervreemdingsvoordeel belastbaar is volgens artikel 4.12 Wet IB 2001. Belanghebbende stelde in cassatie dat het hier ging om vervangende inkomsten en niet om een vervreemding, en dat de wetgever geen grondslag had gegeven voor belastingheffing.
De Hoge Raad verwierp deze klachten en oordeelde dat de vergoeding voor de vermindering van aandeelhoudersrechten een vervreemdingsvoordeel vormt. De tekst en geschiedenis van artikel 4.12 Wet IB 2001 en eerdere jurisprudentie ondersteunen dit oordeel. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vergoeding voor verschuiving van winstrechten als vervreemdingsvoordeel belastbaar is.