ECLI:NL:PHR:2012:BW4761
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing van vergoeding voor verschuiving winstrechten op aanmerkelijk-belangaandelen
Drie broers hielden elk een aanmerkelijk belang in A B.V. en stemden in met een statutenwijziging die hun winstrechten verminderde ten gunste van een beheersmaatschappij, onder opschortende voorwaarde dat een dochtermaatschappij een minimale winst behaalde. Ter compensatie ontvingen zij in 2001 een vergoeding van €4.537.802 gezamenlijk. De statutenwijziging trad pas in 2004 in werking toen de voorwaarde werd vervuld.
De belanghebbenden betwistten de kwalificatie van deze vergoeding als inkomen uit aanmerkelijk belang en voerden aan dat het geen vervreemdingsvoordeel of regulier voordeel was, verwijzend naar een arrest uit 1971. Rechtbank en Hof oordeelden dat de vergoeding wel als vervreemdingsvoordeel moest worden aangemerkt en in 2004 belast werd.
De Hoge Raad bevestigt dat onder het huidige regime van de Wet IB 2001 dergelijke vergoedingen als vervreemdingsvoordeel worden belast, ook al was er geen bepaling analoog aan de oude Wet IB 1964 art. 20b(1)(e). Het arrest uit 1971 is niet meer van toepassing vanwege gewijzigde wetgeving en systeem. De vergoeding is belast in 2004, het jaar van vervulling van de opschortende voorwaarde. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de vergoeding als vervreemdingsvoordeel belastbaar is in 2004.