ECLI:NL:HR:2012:BW6174

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00394
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 351 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van ad informandum gevoegde feiten bij straftoemeting ondanks ontbreken advocaatbijstand

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden. Het geschil betrof de vraag of het Hof ten onrechte rekening heeft gehouden met ad informandum gevoegde feiten bij de straftoemeting, terwijl de verdachte bij het eerste politieverhoor niet was gewezen op het recht een advocaat te raadplegen.

De Hoge Raad overweegt dat het de rechter vrij staat om bij de strafoplegging rekening te houden met dergelijke feiten, mits de verdachte deze feiten ter terechtzitting erkent en het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake instelt. Het ontbreken van advocaatbijstand bij het eerste verhoor staat hier niet aan in de weg.

Ook als de verdachte niet ter terechtzitting verschijnt, kan het niet tenlastegelegde feit als strafverzwarende omstandigheid worden meegewogen, mits aan strikte voorwaarden is voldaan, waaronder tijdige mededeling en aannemelijke erkenning elders. Het beroep van de verdachte werd verworpen omdat de klacht niet eerder aan het Hof was voorgelegd en de Hoge Raad geen aanleiding zag tot cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat ad informandum gevoegde feiten erkend door verdachte ter terechtzitting mogen worden meegewogen bij straftoemeting ondanks ontbreken advocaatbijstand bij eerste verhoor.

Uitspraak

22 mei 2012
Strafkamer
nr. S 11/00394
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 15 juli 2010, nummer 24/002547-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Baijens, advocaat te Oude Willem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel beoogt kennelijk erover te klagen dat het Hof bij de straftoemeting ten onrechte rekening heeft gehouden met zogenoemde 'ad informandum' gevoegde feiten, aangezien de verklaringen op grond waarvan het Hof heeft aangenomen dat de verdachte het begaan van die feiten erkent door de verdachte na diens aanhouding zijn afgelegd zonder dat hij was gewezen op het recht eerst een advocaat te raadplegen en zonder dat hem (behoudens afstand van dat recht of dwingende redenen om het verhoor terstond te beginnen) de mogelijkheid was geboden dit recht uit te oefenen.
2.2. Uit de stukken blijkt niet dat deze klacht aan het Hof is voorgelegd. Zo een verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3084, NJ 2009/351).
Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
2.3.1. Opmerking verdient nog het volgende.
2.3.2. Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad staat het de rechter vrij om na een procedure op tegenspraak bij de strafoplegging rekening te houden met een ad informandum gevoegd feit, wanneer op grond van de door de verdachte ter terechtzitting gedane erkenning aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en wanneer voorts ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen. Het gaat daarbij om erkenning door de verdachte van dat ad informandum gevoegde feit ten overstaan van de rechter die de straf oplegt. Ingeval van zodanige erkenning staan de omstandigheden dat de aangehouden verdachte ter zake van zijn op dat ad informandum gevoegde feit betrekking hebbende eerste verhoor door de politie voor de aanvang daarvan niet is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat en de desbetreffende verklaring is afgelegd zonder dat hem de gelegenheid is geboden dat recht uit te oefenen, niet eraan in de weg dat de rechter met dat feit bij de strafoplegging rekening houdt.
2.3.3. Indien de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en zich derhalve aldaar niet erover heeft uitgelaten of hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit dat hem niet is tenlastegelegd kan - eveneens volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad - de rechter nochtans dit niet tenlastegelegde feit als bijzondere reden ter bepaling van de straf in aanmerking nemen mits (a) bij het uitbrengen van de dagvaarding, althans tijdig vóór de aanvang der terechtzitting, aan de verdachte is medegedeeld dat bedoeld niet tenlastegelegd feit door het openbaar ministerie met dat doel ter terechtzitting ter sprake zal worden gebracht, (b) op grond van diens elders gedane erkenning aannemelijk is geworden dat de verdachte dit feit heeft begaan en (c) ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dit feit zal instellen. Van de hiervoor onder (b) bedoelde erkenning kan ook worden uitgegaan indien de verklaring waaruit die erkenning blijkt door de aangehouden verdachte is afgelegd zonder dat - kort gezegd - aan de in de 'Salduz-rechtspraak' van de Hoge Raad (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349) neergelegde regels is voldaan. Indien een gemachtigd raadsman ter terechtzitting optreedt, gelden de regels die toepasselijk zijn in het geval de verdachte zelf niet ter terechtzitting is verschenen. Daarbij verdient aantekening dat de aard van de afdoening van ad informandum gevoegde feiten zich verzet tegen een dergelijke afdoening, indien de gemachtigde raadsman ter terechtzitting een al dan niet aan de 'Salduz-rechtspraak' ontleend bezwaar maakt tegen die - voorafgaand aan de terechtzitting aan de verdachte als mogelijkheid meegedeelde - afdoening.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, W.F. Groos, Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 mei 2012.