ECLI:NL:HR:2012:BW7081
Hoge Raad
- Cassatie
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Telefonisch horen gelijkgesteld aan verschijnen ter hoorzitting in bezwaarprocedure
Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd over 2004, die na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. De Rechtbank te Breda verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de aanslag en uitspraak op bezwaar. Het Hof bevestigde dit oordeel. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Hof.
In het geding speelde de vraag of het telefonisch horen van de gemachtigde van belanghebbende kon worden aangemerkt als verschijnen ter hoorzitting in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De gemachtigde had aangegeven telefonisch gehoord te willen worden, en het hoorverslag bevestigde dat dit telefonisch horen plaatsvond met instemming van beide partijen.
De Hoge Raad overwoog dat niet elk telefoongesprek als verschijnen ter hoorzitting kan gelden, maar dat als het telefoongesprek materieel niet verschilt van een hoorzitting, dit wel het geval kan zijn. Gelet op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd het telefonisch horen gelijkgesteld aan een hoorzitting.
Daarom werd geoordeeld dat belanghebbende ten onrechte geen kostenvergoeding was toegekend voor het telefonisch horen in de bezwaarfase. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken voor zover zij de kostenveroordeling betroffen en veroordeelde de Staat tot vergoeding van griffierechten en kosten van rechtsbijstand.
Uitkomst: Telefonisch horen wordt gelijkgesteld aan verschijnen ter hoorzitting, waardoor kostenvergoeding aan belanghebbende wordt toegekend.