ECLI:NL:HR:2012:BX4434

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01122
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest Hof wegens ontbreken motivering afwijking bewijsstandpunt over herkomst geld

In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte grote geldbedragen had voorhanden gehad en overgedragen, waarvan zij en haar mededader redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. De verdediging voerde aan dat het geld nog niet afkomstig was van een misdrijf zolang het onder de beschikkingsmacht van verdachte was, en dat het misdrijf pas werd gepleegd toen een ander de gelden daadwerkelijk verduisterde.

Het Hof Amsterdam had in zijn arrest afgeweken van dit standpunt, maar heeft daarbij niet in het bijzonder de redenen vermeld die tot deze afwijking hebben geleid, zoals vereist op grond van art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv. Dit verzuim leidt volgens art. 359, achtste lid Sv tot nietigheid van het arrest.

De Hoge Raad oordeelt dat het standpunt van de verdediging duidelijk en ondubbelzinnig was onderbouwd en dat het Hof had moeten motiveren waarom het daarvan afweek. Omdat dit niet is gebeurd, wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het Hof Amsterdam voor hernieuwde behandeling.

De overige middelen behoeven geen bespreking. De Hoge Raad wijst het beroep in cassatie af voor het overige en constateert een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van motivering bij afwijking van het verdedigingstandpunt en de zaak wordt terugverwezen.

Uitspraak

18 september 2012
Strafkamer
nr. S 10/01122
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 februari 2010, nummer 23/004523-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal volstaan met de vaststelling dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat op het moment dat de verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overdragen, geen sprake was van gelden "van misdrijf afkomstig".
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van oktober 2003 tot en met 5 januari 2004 te Aalsmeer en Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, grote geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl zij en haar mededader redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."
3.3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
"Vast staat dat het geld afkomstig is van [A]. Vast staat dat [betrokkene 1] als "curator", als speciaal voor [B] aangewezen verantwoordelijk directeur geld mocht overmaken naar [B]. Overtuigend legt [betrokkene 1] uit hoe en wat [B] moet doen met gelden (zie onder andere de betalingen aan [C]). Het geld wordt zo ook contant op het kantoor van [A] of elders overgedragen aan [betrokkene 1]. Gesteld dient te worden dat cliënte aldus het geld onder de hoede, onder de beschikkingsmacht van [A] bracht. Het misdrijf was nog niet gepleegd. Het misdrijf werd pas een feit toen [betrokkene 1] als financieel directeur het geld daadwerkelijk onttrok, verduisterde, aanwendde voor privédoeleinden. Dat [betrokkene 1] al aan verduistering dacht toen hij cliënte verzocht gelden over te maken of contant te brengen, maakt nog niet dat het geld dat cliënte overmaakte of bracht dus afkomstig was van misdrijf. [betrokkene 1] had het onwetende [B] wel als werktuig nodig om zijn praktijken uit te kunnen voeren, maar pas op het moment dat hij de gelden daadwerkelijk zelf onttrok en nadien de frauduleuze boekhoudkundige handelingen verrichtte, is het misdrijf verduistering door hem gepleegd. Kortom vrijspraak dient te volgen nu het geld zolang het onder de beschikkingsmacht van cliënte is geweest nog niet verduisterd was door [betrokkene 1]."
3.3.2. Voorts heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting nog het volgende aangevoerd:
"De advocaat-generaal stelt dat de wijze waarop de geldbedragen werden rondgepompt, met zich meebrengt dat sprake is van verduistering. De verdediging stelt echter dat [betrokkene 1] [B] heeft gebruikt om geld te kunnen verduisteren. Hij maakte het geld van de rekening van [A] over naar de rekening van [B]. Dit geld werd vervolgens weer teruggebracht naar [A]. Pas nadat het geld naar [A] was teruggebracht, besloot [betrokkene 1] het geld te verduisteren. Het geld is daarmee dus niet afkomstig van een misdrijf. Deze elementen maken, naar het oordeel van de verdediging, dat evenmin sprake is geweest van schuldwitwassen."
3.4 Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot het moment van verduisteren en daarmee tot de bewijsbaarheid van "afkomstig waren uit enig misdrijf", kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.
3.5. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 september 2012.