ECLI:NL:HR:2012:BX5514

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05186 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheidsvraag cassatieberoep wegens niet-naleving consignatieplicht dwangbevel

De veroordeelde werd door de Rechtbank Utrecht veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf en een geldsom ten behoeve van een benadeelde partij. Het vonnis werd ter executie overgedragen aan het CJIB, dat een dwangbevel uitvaardigde. De veroordeelde kwam in verzet tegen het dwangbevel, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan de consignatieplicht ex art. 575 derde Pro lid Sv.

In cassatie werd het beroep van de veroordeelde aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat niet was gebleken dat zij op haar verplichting tot consignatie was gewezen of dat zij daaraan had voldaan. De Advocaat-Generaal adviseerde de Hoge Raad om de veroordeelde alsnog in de gelegenheid te stellen de consignatie te voldoen binnen een door de griffier te bepalen termijn.

De Hoge Raad besloot de veroordeelde die gelegenheid te geven en bepaalde dat de griffier van de Rechtbank Utrecht haar schriftelijk zal aanmanen tot betaling van het nog te bepalen bedrag. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat is vastgesteld of aan de consignatieplicht is voldaan. Hiermee wordt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep afhankelijk gesteld van het alsnog voldoen aan de consignatieplicht.

Uitkomst: Veroordeelde krijgt alsnog de gelegenheid om het verschuldigde bedrag en griffiekosten te consigneren, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

9 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/05186
BCB/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Utrecht van 25 oktober 2011, nummer RK 11/1491, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 575 derde Pro lid, Sv ingediend door;
[De veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het door haar aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad in een tussenbeschikking de veroordeelde alsnog in de gelegenheid zal stellen aan haar verplichting tot consignatie te voldoen door binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn nadat de Griffier van de Rechtbank haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, alsnog een door de Griffier van de Rechtbank te bepalen bedrag bestaande uit het verschuldigde bedrag en al de kosten, ter griffie van de Rechtbank bij wijze van consignatie te betalen, en dat iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van de Kinderrechter in de Rechtbank Utrecht van 1 oktober 2010 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 100,-, waarbij de Rechtbank aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer heeft opgelegd, ter hoogte van € 100,-, subsidiair 2 dagen jeugddetentie. Het vonnis is door de Officier van Justitie ter executie overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) te Leeuwarden. Het CJIB heeft blijkens bij de schriftuur overgelegde stukken aan de veroordeelde een dwangbevel uitgevaardigd dat aan de veroordeelde bij deurwaardersexploit is betekend. De veroordeelde is vervolgens in verzet gekomen bij de Rechtbank tegen het dwangbevel, in welk verzet zij niet-ontvankelijk is verklaard. Haar cassatieberoep is tegen die beslissing gericht.
3.2. Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is een veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven of tot hetwelk de rechter, van wie de beschikking afkomstig is, behoort.
3.3. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het dossier bevinden zich geen stukken waaruit kan volgen dat de veroordeelde op haar desbetreffende verplichting is gewezen of dat aan de verplichting tot consignatie is voldaan. Gelet op de door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen, zoals weergegeven in zijn conclusie onder 8, en de stukken van het geding zal de veroordeelde alsnog in de gelegenheid worden gesteld om binnen de hieronder te vermelden termijn een nader door de Griffier van de Rechtbank Utrecht te bepalen bedrag bij wijze van consignatie te betalen en dient als volgt te worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
stelt de veroordeelde in de gelegenheid om binnen veertien dagen nadat de Griffier van de Rechtbank Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rechtbank te consigneren;
bepaalt dat daartoe een afschrift van deze beschikking aan de Griffier van de Rechtbank zal worden verstuurd;
verstaat dat de Griffier van de Rechtbank de hiervoor vermelde schriftelijke aanmaning aan de veroordeelde zal versturen en aan de Griffier van de Hoge Raad na afloop van de hiervoor vermelde termijn mededeling zal doen of door de veroordeelde is voldaan aan de verlangde consignatie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2012.