ECLI:NL:HR:2012:BX7470

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01764
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:681 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie bij kennelijk onredelijk ontslag en schadevergoeding

In deze zaak stond het geschil tussen Bonfanti Sportswear B.V. en een voormalige werknemer centraal over kennelijk onredelijk ontslag en de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 7:681 BW Pro.

De kantonrechter te Maastricht en het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hadden eerder uitspraak gedaan, waarbij het hof het ontslag als kennelijk onredelijk had beoordeeld en een schadevergoeding had toegekend. Bonfanti Sportswear B.V. stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van Bonfanti verworpen, zonder nadere motivering, aangezien de aangevoerde klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest van het hof blijft daarmee in stand.

De Hoge Raad veroordeelde Bonfanti in de kosten van het cassatiegeding, maar stelde deze aan de zijde van de wederpartij nihil vast. Hiermee is de uitspraak definitief en bevestigt de Hoge Raad de eerdere beslissingen over het kennelijk onredelijk ontslag en de bijbehorende schadevergoeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Bonfanti Sportswear B.V. wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

19 oktober 2012
Eerste Kamer
11/01764
EE/DH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
BONFANTI SPORTSWEAR B.V.,
gevestigd te Maastricht,
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Bonfanti en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 278305 CV EXPL 08-81 van de kantonrechter te Maastricht van 25 maart 2009;
b. het arrest in de zaak HD 200.036.588 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Bonfanti beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Bonfanti in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 19 oktober 2012.