Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
Artikel 1615s
“poor”, zijn daardoor onbetrouwbaar en niet bruikbaar. Ten onrechte is haar ontslag wel op grond daarvan aangevraagd ondanks dat zij bij het assessment in de tweede sollicitatieronde geschikt werd geacht voor de functie van Network Facility Engineer [20] . In dit kader heeft [verzoekster] nog gesteld dat zij de meest geschikte kandidaat voor de functie was omdat zij al jaren de functie van Technician Network Documentation (functie 4) heeft vervuld waar langzamerhand steeds meer taken en verantwoordelijkheden dan genoemd in haar functiebeschrijving bijkwamen tot het niveau dat deze functie zo goed als gelijk was aan die van de nieuwe functie van Network Facilities Engineer [21] .
aanvullend middelonderdeelkomt met een motiveringsklacht op tegen de passage uit rov. 2.11 dat nu niet is betwist dat de reorganisatie en afslanking van het personeelsbestand geen verder uitstel duldden, begrijpelijk is dat UTS is voortgegaan en zelf de plekken in de plaatsingscommissie verder heeft ingevuld. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de mededeling van de corporate development officer van UTS tijdens de mondelinge behandeling dat: “
Voor degenen die meededen in de 2e plaatsingsronde, het ontslagverzoek bij SOAW is ingetrokken” [26] [27] .
door [verzoekster] niet is betwistdat de reorganisatie en afslanking van het personeelbestand geen verder uitstel kon dulden.
dat UTS jegens de werknemers, waaronder [verzoekster], niet gebonden zou zijn aan het Sociaal Plan of jegens hen niet gebonden zou zijn nakoming van de vakbond te vorderen.Het Hof heeft alleen geoordeeld dat in onze zaak niet valt in te zien dat het aan UTS was om de deelname van de vakbond aan de procedures in kort geding af te dwingen.
onderdeel 1.2zijn voorgesteld voor het geval de rechtsklachten over onder meer de besproken Statuutregels uit onderdeel 1.1. tevergeefs zijn. De motiveringsklachten komen op tegen “
de voornoemde beslissing in rov. 2.11”, “de genoemde beslissing in rov. 2.11” c.q. “de genoemde beslissingen”; kennelijk wordt hier gedoeld op het oordeel dat niet valt in te zien dat het aan UTS was om de deelname van de vakbond aan de procedures in kort geding af te dwingen, zoals in de tweede volzin van onderdeel 1.2 onder woorden is gebracht [31] . Dat is volgens de klacht onbegrijpelijk in het licht van de tekst van de ingeroepen Statuutsbepalingen, uitgelegd naar de CAO-norm. Daarnaast (in wezen lijkt mij dit overigens een uitwerking) is dit volgens de klacht onbegrijpelijk in het licht van de volgende volgens de klacht essentiële stellingen:
“meewerkte”, wat door UTS is nagelaten, zodat ook dit artikel uit het Sociaal Statuut door UTS is geschonden [35] .
rechtvoortvloeit voor de vakbond om een commissielid aan te wijzen en dat de vakbond dit recht heeft opgegeven door, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, geen commissielid aan te wijzen [36] . Deze lijn volgt het Hof met de onbestreden [37] passage uit rov. 2.11 dat de bond door af te zien van het aanwijzen van een lid in de plaatsingscommissie er bewust voor heeft gekozen om van de Statuutsmogelijkheden op dit punt geen gebruik te maken. Het onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag voor zover het tot uitgangspunt neemt dat het aanwijzen door de vakbond van een commissielid op grond van art. 12 lid 1 Sociaal Pro Statuut een contractuele
verplichtingzou zijn.
rechtom deel te nemen aan de selectieprocedures gebruik zou moeten maken.
kunnendoen en dat werpt geen ander licht op de kwestie.
externe expertin de zin van art. 12 lid 2 Sociaal Pro Statuut, maar dat het in onze zaak gaat om het door de vakbond aan te wijzen lid. Dat Sitkom geen lid heeft voorgedragen voor de plaatsingscommissie, is volgens UTS geen geschil in de zin van art. 12 lid Pro 2, zodat art. 4 lid 5 toepassing Pro mist. Stelling c. miskent daarbij dat art. 12 lid 2 ook Pro niet in algemene zin regelt dat als sprake is van “een geschil over de samenstelling”, dit moet worden voorgelegd aan een commissie voor bindend advies volgens art. 4 lid Pro 5. Art. 12 lid 2 gaat Pro specifiek over een geschil over de aan te wijzen externe expert. Eenzelfde manco zit in stelling d.: art. 4 lid 5 ziet Pro niet op ieder geschil tussen UTS en Sitkom, maar op interpretatiegeschillen over de Statuutsbepalingen en [verzoekster] heeft niet gesteld dat het niet aanwijzen van een commissielid door de vakbond voortvloeit uit een interpretatiegeschil van art. 12 lid 2 of Pro een andere bepaling van het Sociaal Statuut. Art. 4 lid 5 leert Pro dat de in die bepaling genoemde procedure dient te worden gestart door de partij die meent dat er een geschil is over de interpretatie
.[verzoekster] heeft niet gesteld dat UTS zou hebben gemeend dat er een geschil is over de interpretatie [40] . Terzijde nog: ook de in stelling d. geschetste route naar het Gerecht is niet conform de tekst van art. 4 lid 5 van Pro het Sociaal Statuut: een interpretatiegeschil moet volgens die bepaling eerst voor bindend advies worden voorgelegd aan een commissie. Pas als die commissie niet binnen 3 weken uitspraak kan doen, bepaalt art. 4 lid 5 dat Pro het geschil aan het Gerecht kan worden voorgelegd.
gekozenom geen lid van de plaatsingscommissie aan te wijzen, zij heeft zelfs geprotesteerd tegen de gang van zaken [43] .
“meewerkte”. Dat is door UTS nagelaten, zodat eveneens dit artikel uit het Sociaal Statuut door UTS is geschonden [51] , waarbij wordt verwezen naar de onderdelen 1.1 en 1.2.
ertegenwoordigt. De motiveringsklacht is dat gesteld noch gebleken is, en niet uit het Sociaal Statuut volgt, dat het lid in de plaatsingscommissie dat door de vakbond zou worden benoemd [verzoekster] of andere werknemers
vertegenwoordigde.
het door de vakbond aan te wijzen lid in de plaatsingscommissie[verzoekster] of andere werknemers vertegenwoordigde, maar dat
de vakbond[verzoekster] vertegenwoordigde bij het sluiten van het Sociaal Statuut, zodat de keuze van de bond om geen lid voor de plaatsingscommissie aan te wijzen ook aan [verzoekster] kan worden toegerekend [53] .
die de ex- werknemer vertegenwoordigt. De plaatsingsprocedure is door de vakbond goedgekeurd tijdens de meeting van 16 januari 2018. Deze goedkeuring is naderhand niet ingetrokken. UTS gaat dan ook uit van een met de vakbond overeengekomen Sociaal Statuut en dus van een met de vakbond overeengekomen plaatsingsproces waaraan de ex-werknemer, als lid van de vakbond gebonden is. Na de presentatie van het Sociaal Statuut aan de werknemers heeft de ex-werknemer ook geen bezwaren geuit tegen het plaatsingsproces en de daarin opgenomen selectiecriteria.” [54] [onderstreping A-G]
“althans onbegrijpelijk”is niet uitgewerkt): volgens mij is het passeren van het bewijsaanbod als onvoldoende specifiek en niet ter zake dienend ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Uit de eerder besproken passages uit rov. 2.11 tweede, derde en vierde volzin volgt dat de vakbond er bewust voor heeft gekozen om geen gebruik te maken van de in het Sociaal Statuut geboden mogelijkheden om deel te nemen aan de selectieprocedures en toezicht te houden op het juiste verloop daarvan, wat in deze niet aan UTS kan worden verweten. Daarom is begrijpelijk dat UTS is voortgegaan met het zelf invullen van de plaatsingscommissie. Daarin ligt het oordeel besloten dat de samenstelling van de plaatsingscommissie zonder een door de vakbond aangewezen lid in de zin van art. 12 lid 1 Sociaal Pro Statuut niet onrechtmatig is verlopen. In het licht hiervan heeft [verzoekster] onvoldoende geadstrueerd waarom de door haar gestelde “
gang van zaken ten aanzien van het niet aanwijzen van een lid in de plaatsingscommissie door SITKOM”,(nog) van belang kan zijn.
“achteraf”wordt bedoeld.
“achteraf”, maar meteen in het kader van de vergunningsprocedure bij het SOAW heeft geklaagd over de onjuiste samenstelling van de plaatsingscommissie (en het nalaten van een assessment in de eerste sollicitatieronde) [63] . Die ontslagvergunningsprocedure vond plaats tijdens de tweede sollicitatieronde [64] .
“achteraf”heeft het Hof alleen tot uitdrukking gebracht dat [verzoekster] klaagt over een eerdere bewuste keuze van de vakbond om niet deel te nemen aan de selectieprocedures, terwijl deze eerdere keuze [verzoekster] – gegeven het feit dat de vakbond haar vertegenwoordigde – kan worden toegerekend, in die zin dat zij aan die keuze van de bond is gebonden, althans zich daarbij moet neerleggen. Dat oordeel getuigt niet van een verkeerde rechtsopvatting en is volgens mij ook voldoende begrijpelijk.
junioren hoger (en dus niet met een
poorscore) uit te nodigen voor een assessmentonderzoek weliswaar een afwijking van het Sociaal Statuut vormt, maar dat nu deze handelswijze, wat niet is betwist, ten aanzien van alle werknemers is toegepast, er niet evident sprake is van benadeling van [verzoekster] in dat kader. Het onderdeel stelt voorop dat [verzoekster] heeft aangevoerd dat krachtens art. 13 lid 4 en Pro 5 Sociaal Statuut bij de functie van Network Facilities Engineer het selectieproces moet bestaan uit in ieder geval twee deelprocessen, namelijk (i) een sollicitatiegesprek en (ii) een assessment door een extern bureau [67] . Het onderdeel klaagt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat “
het gemene recht en de bewoordingen van het Sociaal Statuut (CAO-norm) geen afwijking toelaten.” Het onderdeel acht dit oordeel onbegrijpelijk, omdat deze handelwijze alleen ten aanzien van werknemers met een score
poorin het sollicitatiegesprek in de eerste ronde is toegepast. Ook acht het onderdeel het Hofoordeel onbegrijpelijk, omdat het feit dat deze handelwijze ten aanzien van alle werknemers met score
pooris toegepast een duidelijke benadeling is van iedereen met score
poorin de eerste ronde, waaronder ook [verzoekster]. Het feit dat ook anderen benadeeld zijn, maakt niet dat [verzoekster] niet is benadeeld.
junioren hoger (en dus niet met een score
poor) uit te nodigen voor een assessmentonderzoek een afwijking vormt van het Sociaal Statuut. Het Hof heeft echter geoordeeld dat deze afwijking geen evidente benadeling van [verzoekster] oplevert. Het Hof heeft de bewoordingen van het Sociaal Statuut (en
“het gemene recht”) niet zo uitgelegd dat die afwijking van het Sociaal Statuut zouden toelaten. In zoverre mist de rechtsklacht feitelijke grondslag
junioren hoger (en dus niet met een score
poor) uit te nodigen voor een assessmentonderzoek, op zichzelf al meebrengt dat het ontslag van [verzoekster] kennelijk onredelijk is (zelfs indien [verzoekster] door die afwijking niet is benadeeld). Dit uitgangspunt vindt echter geen steun in het recht of in de bewoordingen van het Sociaal Statuut (wat overigens een kwestie is van uitleg en geen rechtsoordeel). Het enkele feit dat op dit punt is afgeweken van het Sociaal Statuut brengt niet zonder meer mee dat het ontslag van [verzoekster] kennelijk onredelijk is en daar gaat het in onze zaak om - althans niet nu [verzoekster] door die afwijking niet is benadeeld. De rechtsklacht faalt.
allesollicitanten is gekeken naar de behaalde score, en (ii) vervolgens van de gehele groep sollicitanten alleen de sollicitanten met een score van
junioren hoger zijn uitgenodigd voor een assessmentonderzoek. In zoverre is bedoelde handelswijze dus op alle sollicitanten toegepast. Aldus begrepen is het oordeel dat niet evident sprake is van benadeling van [verzoekster] in mijn ogen ook goed te volgen. Alle sollicitanten zijn immers op grond van hetzelfde criterium al dan niet toegelaten tot het assessment.
aanvullend middelonderdeelkomt met rechts- en motiveringsklachten in de eerste plaats op tegen de volgende passages uit rov. 2.12: (i) dat het assessment heeft plaatsgevonden na de aanvraag voor de toestemming tot ontslag niet betekent dat de resultaten daarvan niet door UTS zijn meegewogen bij (het handhaven van) de ontslagbeslissing, omdat die aanvraag tenslotte naar aanleiding van de resultaten van de tweede ronde (inclusief het assessment) eenvoudigweg had kunnen worden ingetrokken, en (ii) dat de positieve score van het assessment niet heeft geleid tot een intrekking van de aanvraag en benoeming in de door [verzoekster] beoogde functie evenmin betekent dat de procedure oneerlijk of onbetrouwbaar was of dat niet van de resultaten daarvan kan worden uitgegaan [68] .
voor degenen die meededen in de 2e plaatsingsronde, het ontslagverzoek bij SOAW is ingetrokken.” [69] ; (b) de vaststelling dat [verzoekster] deelnam aan de tweede plaatsingsronde [70] , en (c) de vaststelling dat per beschikking van 17 juli 2018 door SOAW aan UTS toestemming is verleend tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst [71] . Het onderdeel leidt uit deze laatste vaststelling af dat de ontslagaanvraag voor [verzoekster] kennelijk niet ingetrokken is, ondanks “
het feit”dat voor degenen die meededen in de tweede plaatsingsronde het ontslagverzoek bij SOAW is ingetrokken (waarbij wordt verwezen naar genoemde mededeling namens UTS tijdens de mondelinge behandeling). Het onderdeel klaagt dat het Hof
“desnoods met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden”had dienen te constateren dat [verzoekster] niet gelijk is behandeld met de anderen die meededen aan de tweede ronde en dat het niet gelijk behandelen van gelijke gevallen in strijd is met goed werkgeverschap [72] . Het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door dat niet te betrekken bij de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is. Het onderdeel formuleert verder motiveringsklachten voor het geval het Hof niet zou zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dan zijn de aangevallen oordelen onbegrijpelijk in het licht van genoemde mededing namens UTS tijdens de mondelinge behandeling. De aanvullende klacht voert daartoe het volgende aan:
nietten grondslag gelegd dat voor degenen die meededen in de tweede plaatsingsronde het ontslagverzoek bij SOAW is ingetrokken, maar voor haar niet. Indien het Hof
ambtshalvebedoelde mededeling namens UTS in zijn beoordeling zou hebben betrokken en aan deze mededeling de door het onderdeel genoemde gevolgen zou hebben verbonden, dan zou het Hof de zaak hebben onderzocht en beslist op een feitelijke grondslag die [verzoekster] niet heeft aangevoerd en daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen zijn getreden [74] . Daarop stuit de rechtsklacht af.
zonder meersprake is van een oneerlijke plaatsingsprocedure dan wel van resultaten die onbetrouwbaar en onbruikbaar zijn (laat staan van een kennelijk onredelijk ontslag alleen om die reden). Dit volgt ook niet uit het Sociaal Statuut, wat overigens een kwestie is van uitleg is en geen rechtsoordeel. Of een onjuiste samenstelling die gevolgen heeft, hangt af van de omstandigheden van het geval en dat heeft het Hof niet miskend. De klacht gaat dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting en is zodoende tevergeefs voorgesteld.
evenminbetekent dat de procedure oneerlijk of onbetrouwbaar was of dat niet van de resultaten daarvan kan worden uitgegaan, omdat bij een sollicitatie immers de reële kans bestaat dat andere kandidaten beter hebben gescoord of geschikter zijn bevonden;
ofsprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Het gaat hier niet om een causaliteitsvraag.
moetenworden, maar dat het erom gaat of het ontslag, gelet op de onregelmatigheden, kennelijk onredelijk is.
konzijn in het eindadvies dat leidde tot het verzoek om toestemming voor ontslag bij SOAW [79] . In het licht van de kennelijk volgens het Hof niet voldoende gemotiveerd betwiste stelling van UTS dat het resultaat van het assessmentonderzoek door de plaatsingscommissie wel is meegewogen in haar eindadvies om [verzoekster] niet te plaatsen [80] , is het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. Daaruit volgt immers dat dit resultaat indirect is betrokken bij de beslissing tot het handhaven van de ontslagbeslissing. Het onderdeel mist verder feitelijke grondslag waar het tot uitgangspunt neemt dat het gegeven dat er een reële kans is dat andere kandidaten beter hebben gescoord of geschikter zijn bevonden, dient als motivering
om de regels van de procedures niet te hoeven volgen. Dat oordeel heeft het Hof niet gegeven. Dit gegeven dient ter verwerping van de stelling van [verzoekster] dat het niet volgen van de procedures heeft geleid tot een kennelijk onredelijk ontslag. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Zoals het Hof terecht heeft overwogen, bestaat bij een sollicitatie, ook bij een positieve uitslag van een assessment, de reële kans dat andere kandidaten beter hebben gescoord of geschikter zijn bevonden. Het onderdeel is zodoende tevergeefs voorgesteld.
“essentiële stelling”heeft ingenomen dat zij als boventallig verklaarde werknemer in het kader van de reorganisatie moest wedijveren met ander boventallig personeel van UTS om functies die beschikbaar waren [81] . De hiertegen gerichte rechtsklacht is dat de desbetreffende informatie de beslissing van de werkgever voor de werknemer en de rechter controleerbaar moet maken, en de werknemer een effectieve rechtsbescherming moet worden geboden (art. 6 EVRM Pro). Ook algemene rechtsbeginselen van non-discriminatie van werknemers (gelijke behandeling van werknemers) en transparantie brengen mee dat werknemers die in het kader van een reorganisatie waarvoor een Sociaal Statuut is opgesteld moeten wedijveren voor de door hen in het kader van een reorganisatie geambieerde functie, recht hebben op informatie waarover alleen de werkgever beschikt; in ieder geval hun eigen scores en – eventueel geanonimiseerd [82] – de scores van de werknemer die is geplaatst in de functie waarover op grond van vooraf in het Sociaal Statuut gegeven regels werd gewedijverd.
zonder meereen verplichting volgt voor UTS om inzicht te geven in de (opbouw van de) scores van [verzoekster] en de andere kandidaten [83] .
“nadere informatie”te verschaffen, niet heeft gemotiveerd. Het oordeel is verder onbegrijpelijk gelet op de in onderdeel 2.4 genoemde
“essentiële stelling”van [verzoekster], dat zij als boventallig verklaarde werknemer in het kader van de reorganisatie moest wedijveren met ander boventallig personeel van UTS om functies die beschikbaar waren [85] . Het oordeel is volgens de klacht verder onbegrijpelijk in het licht van de volgende
“concrete stellingen”van [verzoekster]: (i) dat zij in het assessment van Deloitte in de tweede ronde, voor de functie van Network Facilities Engineer, een positieve score heeft behaald [86] ; (ii) dat degene die benoemd is in de functie van Engineer geen ervaring en kennis heeft van de werkzaamheden van Network Documentation en de programma's om het netwerk te beheren, en ook niet AutoCad gecertificeerd was en niet bij de GIS training is geweest [87] , (iii) dat [verzoekster] les heeft gehad in het systeem SMART van UTS, dat dit systeem vaak problemen heeft en dat dit al een hele tijd is, dat [verzoekster] werkte in het hart van het systeem van UTS, dat [verzoekster] werkte in Autocad en dat ze les heeft gehad over een update, dat er ook een ander systeem is genaamd GIS, in welk systeem van uit kantoor (het loket) het modem bij de klant thuis kan worden bediend, dat het nieuwe systeem van UTS supermodern is en in 2010 is geïmplementeerd en dat [verzoekster] werkte met dit systeem [88] , dat [verzoekster] speciaal is opgeleid door UTS en dat zij deze opleiding nergens anders kan gebruiken aangezien dit netwerk speciaal is ontworpen voor UTS; daarom is zij hier goed in [89] .
“concrete stellingen”had het Hof UTS moeten verplichten
“meer informatie” te verschaffen. Een algemene afwijzing van “
het verzoek om informatie”is geen afdoende respons op die
“concrete stellingen”, aldus de klacht.
“essentiële stelling”en de
“concrete stellingen”nopen geenszins tot de conclusie dat UTS zonder meer verplicht is om inzicht te geven in de opbouw van de scores van [verzoekster] en de andere kandidaten. Dit geldt temeer nu (i) in cassatie niet is betreden dat een dergelijke verplichting niet blijkt uit het Sociaal Statuut, en (ii) UTS heeft gesteld dat het geven van inzage in de opbouw van de scores van [verzoekster] en andere kandidaten strijdig is met (a) de NIP-code [90] en (b) de geheimhoudingsplicht van de experts die de assessments hebben verricht [91] . Ik kaart daarbij ten overvloede nog aan dat art. 6 Sociaal Pro Statuut bepaalt dat iedereen die betrokken is bij de uitvoering van het Sociaal Statuut verplicht is het recht op privacy van de medewerker te eerbiedigen en hun persoonsgegevens als vertrouwelijk te behandelen [92] .
“knowledge and skills”voor de functies, de inhoud daarvan, het vereiste denk- en werkniveau en de salariëring van de functies.
“knowledge and skills”voor de functies, de inhoud daarvan, het vereiste denk- en werkniveau en de salariëring van de functies. Deze vaststelling kan het bestreden oordeel van het Hof zelfstandig dragen. Uit deze aanzienlijke verschillen volgt namelijk dat de twee functies niet vrijwel identiek zijn. Het onderdeel licht ook niet toe waarom deze vaststelling onbegrijpelijk is in het licht van genoemde stellingen van [verzoekster]. Zonder nadere maar ontbrekende toelichting valt dit in mijn ogen ook niet in te zien [100] . Dit brengt mee dat – nu deze vaststelling zelfstandig dragend is voor het oordeel dat [verzoekster] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat beide functies vrijwel identiek zijn – het onderdeel al niet tot cassatie kan leiden bij gebrek aan belang.
“essentiële stelling”heeft ingenomen dat zij als boventallig verklaarde werknemer in het kader van de reorganisatie moest wedijveren met ander boventallig personeel van UTS om functies die beschikbaar waren [103] , daarmee sprake is van een relatieve beoordeling ten opzichte van andere werknemers, en het Hof slechts aangeeft waarom het meent dat [verzoekster] aan de functie van Engineer niet voldoet, maar het Hof niet aangeeft waarom degene die in de functie is benoemd – ondanks de gemotiveerde stellingen van [verzoekster] dat hij niet voldoet –
“gelet op de overige zware vereisten van de functie”beter kan hebben gescoord, althans beter geschikt is dan [verzoekster]. Er is door het Hof immers geen woord vuil gemaakt aan de vraag of die ander wel voldoet aan de
“overige zware vereisten van de functie”, aldus de klacht.
“overige zware vereisten”van de functie niet bestreden. Gelet hierop heeft het Hof kunnen oordelen dat de stelling van [verzoekster] onvoldoende is om te concluderen dat de benoemde persoon nooit beter heeft kunnen scoren dan [verzoekster], althans om te concluderen dat deze persoon minder geschikt is dan [verzoekster] voor de functie van Engineer. De stelling van [verzoekster] hield immers niet in dat de benoemde persoon niet voldoet aan bedoelde overige zware vereisten van de functie (en evenmin dat [verzoekster] wel aan die overige zware vereisten voldoet). Het Hof hoefde dan ook niet in te gaan op de vraag of de benoemde persoon wel voldoet aan die overige zware vereisten, nu die vraag in onze zaak niet voorlag. Het bestreden oordeel is in mijn ogen dan ook voldoende begrijpelijk.
“essentiële stelling”, dat [verzoekster] als boventallig verklaarde werknemer in het kader van de reorganisatie moest wedijveren met ander boventallig personeel van UTS om functies die beschikbaar waren, maakt dit niet anders. Het onderdeel miskent dat rov. 2.16 tweede volzin slechts een bespreking is van de
anderestelling van [verzoekster], dat degene die benoemd is in de functie van Engineer geen ervaring en kennis heeft van de werkzaamheden van Network Documentation en de programma’s om het netwerk te beheren, en ook niet AutoCad gecertificeerd was en niet bij de GIS training is geweest. De klacht mist feitelijke grondslag voor zover het tot uitgangspunt neemt dat hier sprake is van een relatieve beoordeling van [verzoekster] ten opzichte van andere werknemers. De (wel) in rov. 2.16 tweede volzin besproken stelling van [verzoekster] gaf daartoe ook geen aanleiding, zoals hiervoor in 2.77 bleek. De klacht mist eveneens feitelijke grondslag waar het tot uitgangspunt neemt dat het Hof heeft aangegeven “
waarom het meent dat [verzoekster] aan de functie van Engineer niet voldoet”. Het Hof heeft dat niet aangegeven.
veegklachtin het aanvullend verzoekschrift tot cassatie is gericht tegen oordeel van het Hof in rov. 2.17, 2.20 en het dictum. Het bevat de louter voortbouwende klacht dat bij het slagen van één van de klachten van de aanvullende middelonderdelen deze oordelen en het dictum evenmin in stand kunnen blijven. Ook dat behoeft geen afzonderlijke bespreking.