Belanghebbende, een stichting, betwistte de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting van een verpleeghuis met 152 plaatsen, verdeeld over psychogeriatrische en somatische zorg, inclusief dagbehandeling. De rechtbank en het hof verklaarden het beroep ongegrond, waarbij het hof oordeelde dat de kamers en gemeenschappelijke ruimten niet als woonruimten konden worden aangemerkt omdat bewoners niet vrijelijk over tijd en ruimte konden beschikken.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat verzorgings- en verpleeghuizen een woonfunctie vervullen voor bewoners die duurzaam verblijven en dat gedeelten die hoofdzakelijk aan woondoeleinden dienen, zoals slaap-, dagverblijven, keukens en sanitaire ruimten, als zodanig moeten worden aangemerkt. De mate van gebruik door personeel is daarbij niet relevant, noch de intensiteit van de zorg. Ruimten die uitsluitend voor personeel of medische zorg dienen, zoals kantoren, centrale keukens en revalidatieruimten, vallen hier niet onder.
De Hoge Raad formuleerde praktische criteria voor de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet, waaronder dat gedeelten die ten minste 70% van de waarde van de onroerende zaak vertegenwoordigen, als woonruimten gelden. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor herbeoordeling met inachtneming van deze richtlijnen. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.