ECLI:NL:HR:2013:1131

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2013
Publicatiedatum
7 november 2013
Zaaknummer
11/05583
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevordering tegen bank wegens geen schending zorgplicht

In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van ABN AMRO Bank, die rechtsopvolger is van Fortis Bank Nederland, vanwege vermeende tekortkomingen in de dienstverlening rond een effectendepot en een kredietovereenkomst. Eiser stelt dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden.

De zaak is in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Groningen en daarna door het gerechtshof te Leeuwarden, dat de vordering heeft afgewezen. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraken, terwijl ABN AMRO een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie en dat er geen aanleiding is om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat er geen sprake is van een schending van de zorgplicht door de bank, mede omdat er geen sprake is van een vermogensbeheersovereenkomst maar slechts van een adviesrelatie.

Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee komt een einde aan het geschil over de aansprakelijkheid van de bank in deze context.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de bank wordt niet aansprakelijk gehouden voor schending van de zorgplicht.

Uitspraak

8 november 2013
Eerste Kamer
11/05583
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V.,
in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van Fortis Bank Nederland N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: aanvankelijk mr. K.G.W. van Oven, thans mr. F.E. Vermeulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ABN Amro.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 90361 / HA ZA 06-936 van de rechtbank Groningen van 31 oktober 2007;
b. de arresten in de zaak 107.002.367/01 van het gerechtshof te Leeuwarden van 8 september 2009 en 7 juni 2011.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. ABN Amro heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor ABN Amro mede door mr. B.F.L.M. Schim, advocaat te Amsterdam
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

3.Beoordeling van de middelen in het principale beroep

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu de middelen in het principale beroep falen, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN Amro begroot op € 5.965,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
8 november 2013.