Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 26 oktober 2011. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie ingediend, waarop de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Hierbij is overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het beroep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij de behandeling en de klachten niet kunnen leiden tot cassatie.
Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en op 2 juli 2013 uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en niet-geschiktheid van de klachten.