ECLI:NL:PHR:2024:722

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
1 juli 2024
Zaaknummer
23/02718
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring verkrachting ondanks discussie steunbewijs

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder verkrachting, en kreeg een gevangenisstraf van vier jaar opgelegd, waarvan één jaar voorwaardelijk. Het cassatieberoep richtte zich vooral op het bewijs voor de verkrachting, waarbij werd betoogd dat het hof ten onrechte uitsluitend op de verklaring van het slachtoffer had vertrouwd zonder voldoende steunbewijs, in strijd met artikel 342 lid 2 Sv Pro.

De Hoge Raad analyseerde uitgebreid de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van het slachtoffer, een getuige, de verdachte zelf, en chatberichten via WhatsApp en Snapchat. Hoewel sommige steunbewijzen, zoals de getuigenverklaring en chatberichten, niet volledig overtuigend of onvoldoende gemotiveerd waren, vond de Hoge Raad dat de verklaring van het slachtoffer voldoende werd ondersteund door andere elementen, waaronder de details in de verklaring van de verdachte en de excuses via Snapchat en WhatsApp.

De Hoge Raad benadrukte dat het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro per geval moet worden beoordeeld en dat het hof voldoende motivering heeft gegeven om het bewijs als toereikend te beschouwen. Het cassatieberoep faalt, en de veroordeling blijft in stand. De uitspraak bevestigt de jurisprudentie over het bewijsminimum bij verkrachtingszaken en de mogelijkheid om steunbewijs te ontlenen aan gedragswaarnemingen en digitale communicatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor verkrachting blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02718
Zitting2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens:
1 t/m 4 steeds "feitelijke aanranding van de eerbaarheid",
5 “met een minderjarige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt door dreiging met geweld, het plegen van ontucht door een derde opzettelijk teweegbrengen” en
6 “verkrachting”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren. Verder heeft het hof aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een aantal bijzondere voorwaarden verbonden, zoals vermeld in het arrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
De middelen komen met verschillende motiveringsklachten op tegen het onder 6 bewezen verklaarde feit, de verkrachting. Alle middelen klagen over aspecten van het door het hof gebezigde steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster. In het verlengde daarvan wordt geklaagd dat het hof ten aanzien van dit feit het bewijs de facto uitsluitend heeft gebaseerd op de verklaring van de aangeefster, hetgeen in strijd is met het bewijsminimumvereiste van art. 342 lid 2 Sv Pro.
1.4
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik – voor zover voor de bespreking van de middelen van belang is – de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring en de bewijsvoering weer.

2.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“6. hij op 27 april 2020 te Arnhem [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het brengen van zijn penis in haar vagina door een andere feitelijkheid, te weten door terwijl die [slachtoffer] meermaals aangaf geen seksueel contact te willen en of terwijl zij hem meermaals wegduwde en zich van hem af trachtte te bewegen, meermaals voorbij te gaan aan haar verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand en of aldus voor haar een dreigende situatie heeft doen ontstaan”
2.2
Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd (met weglating van de verwijzingen naar de dossierpagina’s):
“1. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van aangifte [slachtoffer].genummerd PL0600-2020198962-3, gesloten en ondertekend op 14 oktober 2021 door [verbalisant 1], hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 2]. brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Plaats delict: Groningersingel, Arnhem
Aangever
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Hij [verdachte], heeft seks met mij gehad terwijl ik 84 keer ‘nee’ heb gezegd.
Hij heeft zijn penis in mijn vagina gedaan.
V: En wat was dan de aanranding?
A: Zijn broer [betrokkene 1]. Zij bleven bij mij slapen. [verdachte] sliep al, hij sliep hij mij in bed. Ik had duidelijk gemaakt dat er niets ging gebeuren maar hij wilde niet naar huis rijden. [betrokkene 1] sliep op de bank. Wij lagen al in bed. [betrokkene 1] kwam toen de slaapkamer in en kwam tussen mij en [verdachte] in liggen. Hij zat aan mijn borsten en billen en deed zijn hand tussen mijn benen. Volgens mij haalde hij ook zijn penis uit zijn broek.
V: Wanneer is dit gebeurd?
A: De nacht van 26 op 27 april 2020.
V: Hoe heb je hem leren kennen?
A: Ik weel dat we altijd naar dezelfde [nachtclub] in Arnhem, gingen. [verdachte] leerde ik daar kennen. We hebben toen 1 of 2 keer seks gehad. Ik besefte mij dat dit niet mijn type relatie was. Ik heb dit ook aangegeven aan [verdachte]. Dit was toen duidelijk voor hem.
Op een gegeven moment is het tegen 04.00 uur. Ik gaf aan dat ik naar bed wilde. Ik had dat van tevoren aangegeven omdat ze niet konden blijven slapen. Ik had ook gezegd dat ik geen zin had in gedoe. [verdachte] moest ook vroeg op dus ik maakte er geen probleem van dat ze bleven slapen. Ik heb [verdachte] gezegd dat hij bij mij in bed mocht en gezegd dat [betrokkene 1] op de bank moest. [verdachte] deed toch een poging om mij te overtuigen. Hij kwam tegen mij aanliggen. Ik had zoiets van donder op. Ik sliep half en toen hoorde ik dat [betrokkene 1] aan het lopen was. Ik zag hem de slaapkamer in komen. Dit vond ik niet fijn. Hij ging tussen ons in liggen. [betrokkene 1] ging met zijn rug naar [verdachte] liggen. Hij raakte mijn borsten aan over mijn big-shirt heen. Ik deed zijn hand weg omdat ik dit niet wilde. Volgens mij haalde hij zijn penis uit zijn broek en bewoog deze langs mijn billen. Hij probeerde met zijn hand tussen mijn benen te gaan. Ik zag dat hij opstond en mijn been ging strelen. Ik trapte hem toen. Hij ging toen weg. Ik maakte [verdachte] wakker, omdat ik wilde dat hij mij redde van zijn broer.
V: [verdachte] wordt wakker en dan?
A: Hij begon mij te zoenen. Ik duwde hem weg zo van ‘nou nee’. Ik zei toen dat we dit niet zouden doen. Ik duwde hem van mij af, omdat ik mijn handen nog voor mij had. Ik zei dat we dit niet af hadden gesproken. Hij ging bovenop mij liggen. Ik zei alleen maar ‘nee, nee, nee'. Ik heb mijn handen tegen zijn borst gezet en zei weer ‘nee’.
Ik heb mij dus verzet door hem weg te duwen. Ik dacht ik pak het hoofdbord vast, zodat ik hem mogelijk van mij af kon trappen. Ik trok mijn benen op om deze voor hem te krijgen en hem van mij af te trappen. Hij deed mijn ondergoed aan de kant. Hij deed zijn penis in mijn vagina. Hij had seks met mij. Hij deed zijn penis erin en eruit. Tijdens de seks was [betrokkene 1] in de woonkamer en kwam later binnen. [verdachte] reageerde duidelijk geïrriteerd op [betrokkene 1] waardoor ik onder [verdachte] vandaan kon klimmen. Ik ben toen naar de badkamer gegaan. Ik heb toen voor mijn gevoel uren op de grond gezeten. Ik was heel erg bang en ik wilde dat ze weggingen. Ik ging terug naar de slaapkamer. [verdachte] wilde het een soort van goedmaken. Hij vroeg of ik hoos was. Hij zei 'sorry’. Hij wilde een knuffel.
2.
De verklaring van [slachtoffer], afgelegd bij de raadsheer-commissaris van het gerechtshof Arnhem-Leeuw arden, zittingsplaats Arnhem, van 17 april 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben in de nacht van 26 op 27 april 2020 door [verdachte] verkracht in mijn huis.
We hebben twee keer eerder vrijwillig seks gehad. Ik kwam erachter dat dit niet het type relatie was voor mij en hij ook niet mijn type man. Dit heb ik hem gezegd. Wij hebben gebeld. Het was onpersoonlijk, maar tijdens corona. Het klopt dat ik specifiek heb gezegd dat ik geen seksueel contact wou. [verdachte] wilde daarna weer afspreken. Hij merkte aan mij dat ik dat niet wilde en hij vroeg daarnaar. Toen heb ik hem gezegd dat ik niet zo’n relatie wou. Het was niet persoonlijk, maar ik was er klaar mee met dat soort type relaties, friends with benefits. Naar mijn idee wou [verdachte] dit type relatie wel hebben. Ik merkte wel dat hij daar best wel teleurgesteld op reageerde en het daar moeilijk mee had. Aan het einde van het gesprek gaf hij aan dat hij er oké mee was en dat hij het begreep. U vraagt mij of ik had besproken hoe die avond zou verlopen. We hebben het erover gehad. Ik heb gezegd dat het prima was, maar dat ze niet zouden blijven slapen. Ik heb gezegd dat hij niet hoefde te verwachten dat we seks zouden hebben. Hier ging hij schoorvoetend mee akkoord. Dit gesprek vond plaats voordat zij bij mij waren. Ik was op een gegeven moment moe en zei dat ik naar bed wou. Toen heeft [verdachte] gevraagd of ze toch konden blijven slapen, want ze zouden om 08:00 of 09:00 uur vertrekken. Ik dacht toen, die paar uurtjes is prima. [verdachte] ken ik het beste en hij moest daarom bij mij in bed. Er was niet meer plek. Ik heb vooraf ik naar bed ging gezegd dat hij niets moest verwachten.
Ik wou [verdachte] wakker maken om hem te vragen om mij van zijn broer te redden. Ik maakte [verdachte] wakker en hij draaide zich om. Hij begon mij gelijk te zoenen. Ik heb hem gezegd dat ik dat niet wou. Hij luisterde daar niet naar. Zonder dat ik het wilde heeft hij toen seks met mij gehad. Hij gaf aan dat ik het wel moest willen, want ik was zo ontzettend nat. Dit wist hij omdat hij met zijn hand tussen mijn benen zat. Ik heb herhaaldelijk nee gezegd. Hij is op mij gaan zitten en heeft mijn ondergoed opzij getrokken en seks met mij gehad. Ik heb hem eerst geprobeerd met mijn handen van mij af te duwen. Dat lukte niet. Ik pakte met mijn handen mijn hoofdbord vast om hem zo met mijn benen van mij af te kunnen trappen.
3. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], genummerd PL0600-2020198962-6, gesloten en ondertekend op 20 oktober 2021 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
V. Wat weet jij over de aangifte die zij bij ons heeft gedaan?
A: Ik weet dat ze aangifte van aanranding en verkrachting heeft gedaan. Ik weet dat, omdat ze mij dat verteld heeft. Ik ben de eerste die ze heeft gebeld, nadat het gebeurd was. Het was midden in de nacht, ik weet nog dat ik wakker werd gebeld, ik denk rond 05.00 uur.
V: Hoe was [slachtoffer] toen zij het jou vertelde?
A: Ze klonk verward. [slachtoffer] was erg verward en leeg. Ze voelde zich vies en wilde douchen, daarna wilde ze haar bed verschonen en slapen.
V: Had je haar eerder zo aan de telefoon gehad?
A: Nee, ik ken [slachtoffer] helemaal niet op deze manier.
V: Hebben jullie het later nog over de gebeurtenis gehad?
A: Ik weet dat de broer aan haar heeft gezeten en dat [verdachte] haar echt heeft gepenetreerd.
V: Hoe ging het na het voorjaar van vorig jaar?
A: De dagen erna heb ik geprobeerd om er voor [slachtoffer] te zijn. Ze was heel erg teruggetrokken. Ze was echt een wrak.
V: Wat voor invloed heeft dit incident op [slachtoffer].
A: Ik ken [slachtoffer] helemaal niet als een bange vrouw. Nu is ze bang om over straat te gaan.
4.
De verklaring van verdachte,afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 28 juni 2023 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij naar feit 6 en houdt mij voor dat aangeefster [slachtoffer] door de raadsheer-commissaris is gehoord. Ik heb het verhoor gelezen. Mij viel een aantal dingen op. Hoe zij de seks beschrijft, klopt. Zo is het ook gebeurd. Zij hield het hoofdbord en de zijkant van het bed vast.
5. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020198962-16. gesloten en ondertekend op 22 november 2021 door [verbalisant 5], brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Naar aanleiding van de aangifte, gedaan op 14 oktober 2021 door [slachtoffer], is op 27 oktober 2021 om 10.00 uur de telefoon van aangeefster [slachtoffer] in beslag genomen.
Tijdlijn
Ik heb de tijdlijn van de telefoon bekeken, waarbij ik heb gezocht naar contacten tussen verdachte [verdachte] en [betrokkene 1] en een vriendin van aangeefster te weten [getuige].
WhatsApp berichten
Door aangeefster [slachtoffer] is via WhatsApp veel contact geweest met twee verdachten. Te welen:
- [verdachte], [telefoonnummer 1].whatsapp.net '[verdachte]'
- [betrokkene 1], [telefoonnummer 2]@s.whatsapp.net '[betrokkene 1]’
Daarnaast heeft aangeefster [slachtoffer] via WhatsApp veel contact gehad over de verdachten en het incident, te weten:
- [getuige], [telefoonnummer 3]@swhatsapp.net ‘[getuige]’
Communicatie tussen gebruikers [1]
[betrokkene 1]. [telefoonnummer 2]@s.whatsapp.net [betrokkene 1].
? Owner
Gesprek 1: 27 april 2020 6:04-13.42 uur
B Het spijt me dat ik u stoor
B [hier staat een emoji waarvan mij de betekenis niet duidelijk is]
B Ik weet dat ik je lastig val
B Ik kom vandaag niet meer naar je toe
B U accepteert mijn excuses niet
B Haat dat je me negeert
A Ik wil even niet praten, daarom reageer ik niet
B Ok
Gesprek 2: 3 mei 2020 18.02-22.56 uur
B Waarom praat je niet met mij
A Kun je dat echt niet bedenken
B Ik begrijp niet wat je bedoelt
A Kun je niet bedenken waarom ik niet met je wil praten
B Ja
B Ik heb mijn excuses aangeboden
A En dan? Moet nu alles weer goed zijn?
B Klopt
A Dat kan. Ik niet
A Wat er is gebeurd is zeer slecht.
B Ja
B Ik weet dat
B [hier staat een emoji waarvan mij de betekenis niet duidelijk is]
A Dat is goed.
A Dan weet je dat je excuses niet genoeg zijn
B Klopt
A Dit betekent dat je niet begrijpt waarom ik niet tegen je wil praten, niet waar?
B Ja
A Waarom vraag je dit dan? Wat wil je weten?
B Ik wil dat je mijn excuses accepteert
A Waarom?
B Omdat ik niet bij bewustzijn ben
B Op dat moment
B Je bent er sexy in je kleding en schoonheid
B Ik kan dit ding niet uitstaan
A Dat is niet mijn probleem, wel? Dat maakt het niet minder erg, wel?
B Klopt
B Je moet dit ding begrijpen
A Ik moet niks
B Wat begrijp ik uit je woorden
A Dat is geen reden voor jou om dan dat te doen. Dit is niet mijn schuld
A En dat jullie dit wel deden daardoor is niet mijn probleem. En ik kan dat niet begrijpen.
6. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020198962-10, gesloten en ondertekend op 11 november 2021 door [verbalisant 5], brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Van aangeefster [slachtoffer] ontving zedenrechercheur [verbalisant 2] op 14 oktober 2021 een aantal printscreens van een chatgesprek, gevoerd op Snapchat. De printscreens dragen twee gesprekken uit, gevoerd met ‘[betrokkene 2]'. Dit betreft de verdachte [verdachte].
Het screenshot is gemaakt op 30 augustus 2020 om 13.57 uur door aangeefster [slachtoffer]. Het gevoerde gesprek is op dezelfde dag gevoerd.
Naam screenshot: screenshot_20200830-135756 Snapchat.
In dit gesprek noemt '[betrokkene 2]' de naam [betrokkene 3] en geeft hij aan excuses te willen maken.”
2.3
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte de volgende verklaring afgelegd:
“U vraagt mij naar feit 6 en houdt mij voor dat aangeefster [slachtoffer] door de raadsheer-commissaris is gehoord. Ik heb het verhoor gelezen. Mij viel een aantal dingen op. Hoe zij de seks beschrijft, klopt. Zo is het ook gebeurd. Ik heb nooit aan de details gedacht, zoals het hoofdbord of handen vasthouden. Ik heb geen nieuwe dingen gelezen. Er zijn geen dingen gebeurd die ik zou moeten opvatten als een weigering. U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij meerdere keren ‘nee’ heeft gezegd. Als zij ‘nee' had gezegd, was ik direct gestopt. Ik heb absoluut niet gehoord dat ze nee zei. U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat aangeefster [slachtoffer] mij wakker maakte door aan mij te zitten en mij kusjes te geven en dat ik twee keer seks met haar gehad heb. Daar blijf ik bij. Hoe zij het beschrijft klopt ook. Er zijn geen nieuwe dingen gezegd. Ik blijf ook bij mijn verklaring. U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat wij één keer seks hebben gehad en dus niet twee keer. Ik blijf erbij dat we twee keer seks hebben gehad. U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat ik als ik seks heb gehad daarna voorlopig geen seks meer kan hebben. Ja, voorlopig. Maar wat bedoel ik met 'voorlopig'? Ik kan niet binnen tien minuten of een uur seks hebben. Dat is voor mij niet mogelijk. U vraagt mij hoeveel tijd er dan tussen zat. Dat weet ik echt niet meer, maar zeker een paar uur. De volgende ochtend moest ik weer weg. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer] klopt en houdt mij voor dat ze ook heeft verklaard dat ze 'nee' gezegd heeft. Dat klopt niet. U houdt mij voor dat ze ook heeft verklaard dat ik haar gelijk begon te zoenen en zij heeft gezegd dat zij dat niet wilde, maar ik daar niet naar luisterde. Dat klopt niet. U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat ik heb gezegd dat ze het wel moest willen, omdat ze zo ontzettend nat was. Als ze nee had gezegd, was ik gestopt. Ik sluit niet uit dat ze nee heeft gezegd, maar ik heb dat niet meegekregen. Ik heb het niet gehoord of gemerkt. Ik heb niet doorgehad dat ze niet wilde: ze gedroeg zich zoals de keren daarvoor. U vraagt mij of ze de vorige keren ook 'nee' zei.
[…]
U vraagt mij of het klopt dat [slachtoffer] mij met haar handen heeft weggeduwd. Nee. Bepaalde dingen uit haar verklaring kloppen wel. Zij hield het hoofdbord en de zijkant van het bed vast. Dat gebeurde iedere keer. U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij heeft geprobeerd mij van haar af te duwen en dat zij dacht dat ik dat zag als een aanmoediging. Dat klopt niet. Ze had haar handen wel op mijn lichaam. Dat gebeurde vaker. U vraagt mij of ze heeft geprobeerd om mij weg te trappen. Nee. Als ze mij wegtrapt, is het duidelijk dat ze geen seks wil. Dan was ik zeker gestopt. Het is gewoon niet gebeurd. Ik heb vaker seks met haar gehad en het was iedere keer hetzelfde. U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op enig moment naar de badkamer is gevlucht en vraagt mij of ik dat niet heb gezien. Nee. Ik heb niet gezien dat zij anderhalf uur in de badkamer heeft gezeten. U vraagt mij wat er naar mijn mening wel klopt uit de verklaring van [slachtoffer]. De beschrijving van de seks en het vasthouden van het hoofdbord klopt wel. Zij deed dat de keren daarvoor ook. Ze heeft niet getrapt of mij weggeduwd. Het kan zijn dat ze nee’ heeft gezegd, maar ik heb niks gehoord.”
2.4
De bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:

Overweging ten aanzien van feit 6
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 6 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Aangeefster [slachtoffer] heeft op 4 mei 2020 melding gedaan van verkrachting en op 14 oktober 2021 daarvan aangifte gedaan bij de politie. Aangeefster heeft - kort samengevat - verklaard dat verdachte en zijn broer [betrokkene 1] in de nacht van 26 op 27 april 2020 bij haar kwamen gamen. Ze had van te voren aangegeven dat ze niet konden blijven slapen en dat zij geen zin had in gedoe. Omdat het al 4.00 uur was geworden en verdachte ook weer vroeg op moest, mochten ze toch blijven slapen. De verdachte sliep bij aangeefster in bed en zijn broer sliep op de bank. Nog voordat verdachte en [betrokkene 1] bij haar thuis waren, heeft aangeefster tegen verdachte gezegd dat hij niet hoefde te verwachten dat ze seks zouden hebben. Dit heeft zij voordat verdachte ging slapen nogmaals tegen hem gezegd. Op enig moment is de broer van verdachte tussen verdachte en aangeefster in gaan liggen. Aangeefster reageerde op dat moment niet omdat ze wilde slapen maar [betrokkene 1] begon haar te betasten, haalde zijn penis uit zijn broek en bewoog die langs haar billen. Hij probeerde met zijn hand tussen haar benen te gaan. Toen maakte aangeefster verdachte wakker omdat zij bang was voor zijn broer. Verdachte begon haar toen te zoenen. Aangeefster heeft verdachte weggeduwd en daarbij meerdere malen gezegd dat zij het niet wilde en dat ze dat niet hadden afgesproken. De verdachte ging echter door. Aangeefster heeft toen opnieuw herhaaldelijk ‘nee’ en ‘ik wil dit niet' gezegd, maar verdachte zei: "Je wilt het wel". Verdachte luisterde niet en is op aangeefster gaan zitten. Aangeefster heeft zich verzet door hem weg te duwen en met haar benen te trappen, terwijl ze om kracht te zetten het hoofdbord van het bed vastgreep. Het lukte haar niet hem van zich af te krijgen. Verdachte heeft haar ondergoed opzij gedaan en heeft seks met haar gehad. Aangeefster realiseerde zich dat ze het niet kon winnen en heeft het over zich heen laten komen, zodat het snel voorbij zou zijn. Na afloop vroeg verdachte aan haar of ze boos was. Hij zei ‘sorry' en wilde een knuffel.
Het hof acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar nu deze consistent en gedetailleerd is. Aangeefster heeft bij de politie immers al op 4 mei 2020 een telefonische melding gedaan waarin zij aangeeft dat zij tegen haar wil seks heeft gehad met verdachte en dat [betrokkene 1] haar had betast. Op 14 oktober 2021 heeft aangeefster bij de politie een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd over de door de verdachte verrichte ontuchtige handelingen. Deze verklaring heeft zij op 17 april 2023 ten overstaan van de raadsheercommissaris herhaald. Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de verklaring van een vriendin van aangeefster, [getuige], de gesprekken via WhatsApp en Snapchat en de verklaring van verdachte zelf.
De [getuige] verklaart dat aangeefster direct na het incident, om vijf uur 's nachts beide, erg verward en leeg was en tegen haar heeft gezegd dat verdachte en zijn broer die nacht in haar huis waren blijven slapen en dat verdachte haar tegen haar wil heeft gepenetreerd. De WhatsApp-gesprekken die aangeefster op 27 april 2020 (en ook later nog) met [getuige] voert, geven eveneens steun aan aangeefsters verklaring. Uit de gesprekken die aangeefster met de verdachte en zijn broer heeft gevoerd via Snapchat en WhatsApp blijkt het volgende. [betrokkene 1] schrijft op 27 april 2020 om 12.30 uur: "U accepteert mijn excuses niet." Op 3 mei 2020 om 22.23 uur schrijft hij opnieuw: "Ik heb mijn excuses aangeboden." Aangeefster reageert hierop: "Wat er is gebeurd is zeer slecht." [betrokkene 1] reageert daar vervolgens op met de tekst: "Ja. Ik weet dat." [betrokkene 1] schrijft verder dat hij er niets aan kon doen, omdat hij 'niet bij bewustzijn’ was. Hij stuurt aangeefster een bericht met de tekst: "Je bent erg sexy in je kleding en schoonheid." Aangeefster reageert dan: “Dit is geen reden voor jou om dan dat te doen. Dit is niet mijn schuld. En dat jullie dit wel deden daardoor is niet mijn probleem." Ook de verdachte heeft zijn excuses aangeboden via Snapchat. Ten slotte geldt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook zelf heeft verklaard dat de verklaring die aangeefster heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris op een aantal punten klopt. De verdachte bevestigt de seks met aangeefster maar stelt dat het met wederzijdse instemming was.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van aangeefster als bewijs kan worden gebezigd. Dat aangeefster pas later aangifte heeft gedaan, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring niet af. Aangeefster heeft immers al op 4 mei 2020 melding gedaan bij de politie. Uit haar aangifte en haar later bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring volgt dat zij erg bang was voor de verdachte en zij hetgeen gebeurd was lange tijd heeft weggestopt.
Ten aanzien van het bewijsminimum overweegt het hof het volgende.
De verklaring(en) van aangeefster worden zoals gezegd ondersteund door de hierboven genoemde Snapchat- en WhatsApp-berichten, de verklaring van [getuige], die daarin niet alleen heeft verklaard over wat zij van aangeefster heeft gehoord, maar ook over haar eigen waarnemingen. [getuige] verklaart dat aangeefster erg verward en leeg was en zij ook in de dagen daarna 'echt een wrak' was. Zij beschrijft aangeefster na het incident als erg teruggetrokken en verklaart dat zij bang was om over straat te gaan, terwijl zij haar niet kent als een bange vrouw. Het hof acht de verklaring van [getuige] - anders dan de raadsman - betrouwbaar. Ook de dagen na 27 april 2020 is [getuige] veel met aangeefster opgetrokken en heeft zij de emoties en gedragsveranderingen van aangeefster van dichtbij waargenomen. Alles afwegende concludeert het hof dat de verklaring van aangeefster voldoende bevestiging vindt in de overige inhoud van het dossier. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.
Ten aanzien van het verweer dat verdachte geen opzet heeft gehad op het tegen de wil van aangeefster seksueel binnendringen overweegt het hof het volgende. Aangeefster heeft verklaard dat zij meermalen, zelfs nog voordat de verdachte bij haar thuis was heeft aangegeven geen seks te willen met verdachte. Dat heeft zij herhaald toen verdachte in de woning was. Ook heeft zij meerdere keren geprobeerd om verdachte van zich af te duwen. Zij heeft hierover verklaard dat zij eerst met haar handen heeft geprobeerd verdachte weg te duwen en zij daarna haar benen heeft opgetrokken en het hoofdbord heeft vastgepakt om verdachte van zich af te kunnen trappen. De verklaring van verdachte dat aangeefster dit vaker deed tijdens de seks en hij daarom niet kon weten dat aangeefster geen seks wilde acht het hof niet aannemelijk. Aangeefster heeft immers herhaaldelijk 'nee' gezegd en aangegeven dat zij geen seks wilde. Verdachte heeft dit ook gehoord, nu hij haar op enig moment antwoordde met de woorden "je wilt wel". De verdachte wist dus dat aangeefster geen seks met hem wilde hebben. Door desondanks misbruik te maken van zijn fysieke overwicht, zijn zin door te drukken en de seksuele handelingen te verrichten, heeft verdachte opzet gehad op het tegen de wil van aangeefster laten plaatsvinden van de seksuele handelingen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Nu naar het oordeel van het hof is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en het hof op basis van de bewijsmiddelen ook de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde

3.De bespreking van de middelen

3.1
Alle middelen klagen over de door het hof gebezigde bewijsconstructie ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit. Het hof heeft volgens de steller van het middel vanwege de gebreken die aan het steunbewijs kleven, de verdachte in feite veroordeeld op basis van enkel de verklaring van de aangeefster, hetgeen in strijd is met art. 342 lid 2 Sv Pro.
3.2
De bewijsminimumvoorschriften zijn door de Hoge Raad zeer recent, op 23 april 2024 [2] , eveneens in een verkrachtingszaak met een vergelijkbare feitelijke achtergrond, nog eens herhaald:
“Volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv Pro, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)”
3.3
Omdat de middelen nauw samenhangen en betrekking hebben op de afzonderlijke bewijsonderdelen die een rol hebben gespeeld bij het oordeel van het hof dat is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv Pro, zal ik de middelen een voor een bespreken en pas daarna komen tot een overkoepelende afweging en conclusie.
Het eerste middel
3.4
Het eerste middel klaagt dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de door het hof gebezigde getuigenverklaringen van [getuige] geen steun bieden aan de bewezenverklaring.
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op de volgende door de verdediging aangevoerde argumenten ten aanzien van de verklaring van [getuige]:
- dat [getuige] de eerste reactie van aangeefster slechts via de telefoon waarneemt;
- dat deze getuige niet feitelijk onderbouwt wat ze bedoelt met "verward" en "leeg";
- dat niet blijkt hoe [getuige] het gedrag van de aangeefster de dagen erna heeft kunnen waarnemen;
- dat de waargenomen ‘emoties’ ook een andere oorzaak kunnen hebben dan het bewezen verklaarde feit; en
- dat het onvoldoende duidelijk is wanneer de ‘emoties’ door [getuige] zijn waargenomen.
Daarnaast wordt aangevoerd dat het hof ook had “moeten motiveren waarom het kon oordelen dat de conclusies van de [getuige] dat aangeefster "heel erg teruggetrokken was en een wrak was" een daadwerkelijk zelfstandig waargenomen fysieke emotie was en niet 'slechts' het herhalen van wat aangeefster [getuige] had verteld”. Zonder een motivering is het oordeel dat het hier gaat om meer dan een hervertelling van hetgeen de getuige over de telefoon heeft vernomen, onbegrijpelijk.
Voorts wordt aangevoerd dat de overweging van het hof dat [getuige] heeft verklaard dat de aangeefster haar heeft gebeld en heeft verteld dat de verdachte haar “tegen haar wil heeft gepenetreerd” niet uit de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van deze getuige blijkt. Verder heeft het hof acht geslagen op de Whatsapp-gesprekken die de aangeefster in de dagen na het incident met de getuige heeft gevoerd, terwijl deze gesprekken niet in de bewijsmiddelen zijn terug te vinden. Het hof heeft dus acht geslagen op feiten en omstandigheden waarvan niet met voldoende nauwkeurigheid is aangegeven waaraan deze zijn ontleend. Ook op dit punt is de bewezenverklaring onbegrijpelijk.
3.5
Wat betreft het steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster is de navolgende motivering van het hof van belang:
“De verklaring(en) van aangeefster worden zoals gezegd ondersteund door de hierboven genoemde Snapchat- en WhatsApp-berichten, de verklaring van [getuige], die daarin niet alleen heeft verklaard over wat zij van aangeefster heeft gehoord, maar ook over haar eigen waarnemingen. [getuige] verklaart dat aangeefster erg verward en leeg was en zij ook in de dagen daarna 'echt een wrak' was. Zij beschrijft aangeefster na het incident als erg teruggetrokken en verklaart dat zij bang was om over straat te gaan, terwijl zij haar niet kent als een bange vrouw. Het hof acht de verklaring van [getuige] - anders dan de raadsman - betrouwbaar. Ook de dagen na 27 april 2020 is [getuige] veel met aangeefster opgetrokken en heeft zij de emoties en gedragsveranderingen van aangeefster van dichtbij waargenomen.”
3.2
Op zichzelf kunnen verklaringen van getuigen over waarnemingen van de emotionele toestand van het slachtoffer, als die gepaard gaan met waarnemingen van de fysieke gesteldheid, zoals bijvoorbeeld huilen, abnormale ademhaling of zichtbare pijnbeleving, steun bieden aan de verklaring van het slachtoffer. [3] Ik ben het echter met de steller van het middel eens dat uit de verklaring van de [getuige] (bewijsmiddel 3) niet kan worden afgeleid welke emoties of gemoedstoestand de getuige daadwerkelijk zelf heeft waargenomen. Dat komt met name door de wijze waarop de getuige zich in haar verklaring uitdrukt. Zij gebruikt daarbij kwalificaties als “verward”, “leeg” en een “wrak”. Ik kan me nog voorstellen dat “verwardheid” tijdens een telefoongesprek kan worden waargenomen. Dat is echter moeilijker voor te stellen bij de overige gemoedstoestanden waarover de getuige verklaart. Veel van de zinnen in haar verklaring beginnen bovendien met “ik weet dat…”, zodat onduidelijk blijft wat zij zelf heeft waargenomen en wat de aangeefster haar heeft verteld, zodat niet uitgesloten is dat deze informatie in essentie valt terug te voeren op dezelfde bron, namelijk de aangeefster.
3.3
Hetgeen de getuige verklaart over de toestand van de aangeefster na het gebeurde heeft betrekking op gedragsveranderingen en die kunnen niet zonder meer als steunbewijs dienen. [4] Daarnaast is door de verdediging gewezen op een mogelijk alternatieve oorzaak van de ‘emoties’, deze zouden namelijk niet zozeer zijn veroorzaakt door de verdachte maar door diens broer die haar begon te betasten, waarop zij de verdachte heeft wakker gemaakt. Hierop heeft het hof, naar mijn mening ten onrechte, niet gerespondeerd. [5]
3.4
In het middel wordt ook opgekomen tegen de door het hof in de bewijsmotivering aangehaalde Whatsapp-berichten die zijn uitgewisseld tussen de aangeefster en de getuige waaraan volgens het hof ook steun kan worden ontleend voor de verklaring van de aangeefster. De inhoud van deze gesprekken is echter niet terug te vinden in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en het hof heeft de inhoud hiervan ook niet anderszins weergegeven [6] , zodat ik niet inzie hoe deze berichten steun kunnen bieden aan aangeefsters verklaring.
3.5
Tot slot heeft de getuige in haar verklaring, zoals die is opgenomen in bewijsmiddel 3, niet gesteld dat de aangeefster “tegen haar wil” is gepenetreerd, zoals het hof heeft overwogen.
Het tweede middel
3.6
Het tweede middel klaagt in de kern dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, het niet duidelijk is waarom de tot het bewijs gebezigde Whatsapp-berichten tussen de aangeefster en de broer van de verdachte redengevend zijn voor de bewezenverklaring, zodat de bewijsvoering op dit punt onbegrijpelijk is. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat nu geen sprake is van medeplegen en de broer van de verdachte overduidelijk zijn excuses aanbiedt voor hetgeen hij zelf gedaan zou hebben, zijn verklaring geen steun kan bieden aan aangeefsters verklaring omtrent het bewezen verklaarde feit. Hier kan ook anders over worden gedacht omdat deze WhatsApp berichten wel steun kunnen bieden aan de door de aangeefster geschetste context waarin de verkrachting heeft plaatsgevonden, namelijk na de aanranding door de broer van de verdachte en het vervolgens wakker maken van de verdachte.
Het derde middel
3.7
In het derde middel wordt verder betwist dat het hof uit de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring steun kon putten, omdat deze niet redengevend is voor de bewezenverklaring. Dit zie ik anders vanwege de details van de verklaring van de verdachte. Hij heeft toegegeven dat hij seks met de aangeefster heeft gehad en dat zij hem daarvoor had wakker gemaakt. Ook bevestigt hij dat zij het hoofdbord van het bed heeft vastgehad en haar handen op zijn lichaam heeft gehad. Dit sluit aan bij de verklaring van de aangeefster waarin zij de seksuele gedragingen beschrijft zoals het vastgrijpen van het hoofdbord en het hebben van haar handen op zijn lichaam. Deze verklaring van de verdachte ondersteunt aangeefsters verklaring dus op een als wezenlijk aan te merken onderdeel. [7] Het gaat hierbij om meer dan de enkele erkenning dat de seksuele gedragingen hebben plaatsgevonden. [8]
Het vierde middel
3.8
Het vierde middel klaagt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, het niet duidelijk is waarom de via Snapchat gemaakte excuses door de verdachte aan de aangeefster redengevend zijn voor de bewezenverklaring, te meer nu de verdediging heeft aangevoerd waarom deze excuses – gelet op het gebrek aan context, het tijdstip van de excuses en de direct daaropvolgende ontkenning van de verdachte in Snapchat van het ten laste gelegde – niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Deze uitlating staat dus in een te ver verwijderd verband met de verklaring van de aangeefster. Met name de omstandigheid dat deze excuses pas een half jaar na het bewezen verklaarde feit zijn gemaakt en dat uit het door het hof gebezigde bewijsmiddel niet blijkt wat de context van deze excuses was, is het verband tussen deze excuses en de bewezen verklaarde verkrachting twijfelachtig. De steller van het middel heeft hierbij wel een punt, maar dat aan de excuses door de verdachte geen enkele bewijswaarde kan worden toegekend, wil ik niet beweren.
Afrondende afweging
3.1
Zoals vaak in dit soort zaken, is de afweging of het hof terecht heeft geoordeeld dat aan het bewijsminimum is voldaan, een lastige.
3.2
Naar mijn mening geeft de getuigenverklaring van [getuige] onvoldoende steun aan de verklaringen van de aangeefster, omdat hieruit niet kan worden afgeleid wat de getuige zelf aan emoties vlak na het incident heeft waargenomen en op basis van haar verklaring niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze berust op hetgeen de aangeefster haar zelf heeft verteld of op wat zij zelf heeft gezien en ervaren. Bovendien gaat het daarbij voornamelijk om gedragsveranderingen die weinig zelfstandige bewijswaarde hebben. De overwegingen van het hof over hetgeen de getuige zelf heeft waargenomen zijn dan ook niet begrijpelijk.
3.3
Wat de SnapChat- en WhatsApp-berichten aangaat, zijn deze niet in de bewijsmiddelen opgenomen waar het gaat om het WhatsApp-verkeer tussen de aangeefster en de [getuige]. Wat dit betreft is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.
De excuses die de broer van de verdachte aan de aangeefster maakt, staan weliswaar in een wat ver verwijderd verband van het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt, maar kunnen wel steun bieden aan de verklaring van de aangeefster. Datzelfde geldt voor de excuses die de verdachte zelf aan de aangeefster heeft aangeboden, ook al wordt hierin niet concreet benoemd waarvoor die excuses worden gemaakt. Ook overeind blijft de bewijswaarde van de verklaring van de verdachte met betrekking tot de details van de seksuele handelingen waarover de aangeefster heeft verklaard, al worden die door de verdachte heel anders geduid dan door de aangeefster.
3.4
Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. Hoewel de redengevende kracht van het steunbewijs per saldo gering is en de motivering van het hof her en der hapert, meen ik dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en zijn per SnapChat aangeboden excuses en de excuses van de broer van de verdachte in de WhatsApp berichten in onderlinge samenhang bezien van voldoende gewicht zijn om het oordeel van het hof dat is voldaan aan het bewijsminimumvereiste van art. 342 lid 2 Sv Pro, te dragen. Maar het is een dubbeltje op een kant en ik kan mij voorstellen dat hierover ook anders kan worden gedacht.

4.Conclusie

4.1
De middelen falen.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het hof heeft hier een screenshot van twee Whatsapp-gesprekken tussen de broer van de verdachte en de aangeefster opgenomen. Het eerste gesprek dateert van 27 april 2020 (de dag na de bewezen verklaarde verkrachting). Het tweede gesprek heeft op 3 mei 2020 plaatsgevonden. Ik geef de gesprekken hieronder weer, waarbij A de aangeefster is en B de broer van de verdachte.
2.HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:643; zie ook HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:686, rov. 2.3.
3.Vgl. HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:115, NJ 2014/252, m.nt. Reijntjes (emoties vlak na ontucht); HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, m.nt. Reijntjes (emoties tijdens gedwongen prostitutie); HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328, m.nt. Rozemond (kort na de mishandeling waargenomen emoties in combinatie met de waarneming van een verkrampte houding); HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549, NJ 2015/485, m.nt. Borgers (tijdens een telefonische bedreiging waargenomen hevige emoties bij de aangeefster). Vgl. ook G.J.M. Corstens,
4.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers. In deze zaak was bewezen verklaard dat de verdachte met het minderjarige slachtoffer ontuchtige handelingen had gepleegd. Onder de bewijsmiddelen was onder meer een verklaring van een leerkracht opgenomen die, nadat zij vernomen had dat het slachtoffer “waarschijnlijk seksueel misbruikt” was, merkte “dat ze wat aanhankelijker werd en knuffeliger”. De Hoge Raad overwoog dat ’s hofs kennelijke oordeel dat voldoende steunbewijs voor aangeefsters verklaring aanwezig was zonder nadere motivering niet begrijpelijk was. Hierbij betrok de Hoge Raad dat de nadere motivering betrekking had op de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. Vgl. voorts HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052. In dit arrest ging het om een bewezenverklaring van ontuchtige handelingen gepleegd tegen de twaalfjarige stiefdochter van de verdachte. Haar verklaring vond steun in de verklaring van haar vriend dat de aangeefster in haar slaap soms heftig reageerde als hij zich in bed omdraaide en haar daarbij aanraakte en dat de aangeefster – gevraagd naar deze heftige reacties – hem had verteld over de ontucht. De Hoge Raad oordeelde dat deze getuigenverklaring “wat betreft de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde uitsluitend is gebaseerd op hetgeen de aangeefster hem heeft meegedeeld, en dat die verklaring wat betreft het gedrag van de aangeefster tijdens haar slaap niet zonder meer toereikend is voor het leggen van een verband tussen dat gedrag van de aangeefster en de aan de verdachte verweten ontucht” en casseerde het arrest.
5.Vgl. HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1594, NJ 2022/32, m.nt. Vellinga. Zie ook de conclusie van plv. AG Van Wees (randnummer 2.13-2.15) voor HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:643 en rechtsoverwegingen 2.3-2.4.2 van dit arrest.
6.In bewijsmiddel 5 staat alleen dat veel contact is geweest tussen de aangeefster en [getuige], maar de inhoud van deze berichten is niet in het bewijsmiddel opgenomen, zie HR 24-06-2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 rov. 4.2.
7.Rozemond stelt dat het voldoende is “dat de verklaring van de aangeefster of aangever op concrete punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, waarbij die concrete punten ‘specifieke omstandigheden’ van de tenlastegelegde seksuele gedragingen moeten opleveren”. Zie wederom de noot van Rozemond (onder 9) bij HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298.
8.Vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117, NJ 2019/23, m.nt. Rozemond, rov. 2.4 (de verklaring van de verdachte dat hij de aangeefster van achteren heeft beetgepakt en opgebeurd om iets uit de kast te halen, leverde – in combinatie met de verklaring van een getuige dat aangeefster kort na het incident overstuur aan haar heeft verteld wat er was gebeurd – voldoende steun op voor de bewezen verklaarde aanranding). Zie ook de noot van Rozemond onder 2 bij dit arrest.