Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
12 november 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden. De Hoge Raad beoordeelde de middelen en concludeerde dat deze niet tot cassatie konden leiden, zodat geen nadere motivering nodig was.
De Hoge Raad constateerde dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De straf werd verminderd van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, naar elf maanden en twee weken, waarvan eveneens vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2013.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt ambtshalve verminderd tot elf maanden en twee weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.