Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
12 november 2013.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 juli 2011, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De Hoge Raad heeft het middel van cassatie beoordeeld en geconcludeerd dat het middel niet tot cassatie kan leiden, zodat het beroep wordt verworpen.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Deze overschrijding leidt echter niet tot een direct rechtsgevolg in deze zaak, omdat de compensatie voor de termijnoverschrijding zal worden toegepast in de hoofdzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak.
De Hoge Raad heeft daarom volstaan met de constatering van de overschrijding en heeft het beroep verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 12 november 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot rechtsgevolgen in deze zaak.