Uitspraak
,nummer RK 12/216
,op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond een beklagprocedure centraal tegen een beschikking van de Rechtbank Arnhem betreffende de inbeslagname van technische hulpmiddelen die door de klager werden gedragen. De klager betwistte dat de inbeslaggenomen apparatuur, waaronder een cassetterecorder, microfoon, een data-opslagproduct en verborgen camera's, als 'aangebracht' hulpmiddel in de zin van artikel 441b Sr konden worden aangemerkt.
De rechtbank had geoordeeld dat de raadkamer slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering toetst, en dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. De raadkamer achtte het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter in een latere strafprocedure de verbeurdverklaring van de goederen zou uitspreken, waardoor het beslag mocht voortduren.
De Hoge Raad bevestigde dit toetsingskader en oordeelde dat het onderzoek in raadkamer zich beperkt tot de vraag of ten tijde van de inbeslagneming een redelijk vermoeden van schuld bestond en of er een strafvorderlijk belang is voor het voortduren van het beslag. Het onderzoek strekt zich niet uit tot de bewezenheid van het strafbare feit. Het beroep van de klager werd verworpen.
Uitkomst: Het beroep van de klager wordt verworpen; het beslag op de technische hulpmiddelen blijft gehandhaafd.