Belanghebbende exploiteert meerdere panden waarin zij kamers en vitrines ter beschikking stelt aan prostituees tegen vergoeding. De gemeente heeft voor deze panden vergunningen verleend voor het exploiteren van seksinrichtingen, met specifieke voorwaarden voor inrichting en bedrijfsvoering.
Het hof oordeelde dat de terbeschikkingstelling van kamers met vitrines kwalificeert als verhuur van onroerend goed, waarbij aanvullende werkzaamheden niet door belanghebbende maar door een beheerder worden verricht. De Hoge Raad stelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze aanvullende werkzaamheden niet tot de prestatie van belanghebbende behoren.
De Hoge Raad benadrukt dat verhuur een passieve activiteit is en dat bijkomende werkzaamheden met een zakelijk of commercieel karakter moeten worden meegewogen bij de kwalificatie van de prestatie. Omdat het hof niet duidelijk heeft gemaakt wie de aanvullende werkzaamheden verricht en hoe deze zich verhouden tot de prestatie aan prostituees, kan het arrest niet in stand blijven.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing in lijn met dit arrest. Er worden geen proceskosten opgelegd.