Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
3 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Verdachte stelde zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was omdat hij in voorlopige hechtenis zat en geen kennis had van de termijn en de mogelijkheid van een verklaring ex artikel 451a Sv.
Het Hof oordeelde dat de overschrijding niet verontschuldigbaar was omdat verdachte niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie dat termijnen van openbare orde zijn en alleen bij bijzondere, niet aan verdachte toe te rekenen omstandigheden kunnen worden verontschuldigd.
De Hoge Raad benadrukt dat verdachte, ondanks zijn detentie, redelijkerwijs het nodige had kunnen doen om zich op de hoogte te stellen van de termijn en de wijze van hoger beroep, bijvoorbeeld via deskundigen binnen de inrichting. Omdat verdachte dit niet aannemelijk heeft gemaakt, faalt het middel en wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van verdachte in hoger beroep wegens niet-verontschuldigbare termijnoverschrijding.