4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de kantonrechter in de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 12 november 2012 is op 8 oktober 2012 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte (“ [betrokkene] ”) op diens GBA-adres ( [a-straat 1] in [plaats A] ).
(ii) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 november 2012 is noch de verdachte noch een gemachtigde raadsman verschenen. Vervolgens heeft de kantonrechter de verdachte bij vonnis van diezelfde datum bij verstek veroordeeld. Het vonnis vermeldt als adres van de verdachte het GBA-adres in [plaats A] .
(iii) De mededeling uitspraak betreffende het vonnis van de kantonrechter is op 21 januari 2013 tevergeefs aangeboden op het adres in [plaats A] , dat op dat moment niet langer het GBA-adres van de verdachte was.De bijbehorende akte van uitreiking houdt in dat de verdachte heeft geweigerd de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen en dat de medewerker van PostNL (“koerier Den Bosch”) de mededeling uitspraak niet heeft uitgereikt.
(iv) Namens de verdachte heeft mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Breda, op 19 september 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.
(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2015 blijkt dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. Als raadsman van de verdachte is mr. Van de Luijtgaarden aanwezig, die heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. De raadsman heeft medegedeeld dat de verdachte niet aanwezig is, omdat hij drie dagen per week de zorg voor zijn kind heeft.
(vi) De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende aangevoerd. De verdediging betwist dat de verdachte de uitreiking van de gerechtelijke brief heeft geweigerd, aangezien de verdachte destijds niet woonachtig was op de [a-straat 1] in [plaats A] . Wellicht heeft de postbode, die de brief wilde uitreiken, de vader van de verdachte gesproken. In het verlengde daarvan heeft de raadsman verzocht de desbetreffende postbode als getuige te horen.
(vii) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de voorzitter van het hof in reactie hierop het volgende medegedeeld:
“Vaststaat dat de postbode op de uitreikingsakte heeft aangetekend dat de geadresseerde, zijnde verdachte, geweigerd heeft de gerechtelijke brief in ontvangst te nemen. De enkele mededeling dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd is voor mij onvoldoende, nu verdachte hier niet ter terechtzitting aanwezig is en zijn vader evenmin. Nergens blijkt uit dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd. Dat verdachte de inhoud van de brief niet heeft bekeken doet er niet aan af dat hij kennis had kunnen nemen van de inhoud.
Gelet op het voorgaande wijs ik het verzoek van de raadsman tot het horen van de postbode, mede gelet op het tijdsverloop, af.”