ECLI:NL:HR:2013:188

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
24 juli 2013
Zaaknummer
12/01414
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen vermogensbelasting

Belanghebbende was geconfronteerd met navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1991, 1995 en 1998, inclusief een verhoging van honderd procent en heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslagen en beschikkingen. Belanghebbende stelde beroep in bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, dat de aanslagen en beschikkingen vernietigde.

De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, die het arrest van het hof vernietigde en verwees naar het Gerechtshof Amsterdam. Dit hof vernietigde de aanslagen en beschikkingen opnieuw, verminderde de navorderingsaanslagen en schold de verhogingen kwijt.

Belanghebbende stelde hiertegen opnieuw cassatieberoep in. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en verwees naar artikel 81 lid 1 RO Pro, waardoor geen nadere motivering nodig was. Tevens wees de Hoge Raad het verzoek om schadevergoeding wegens vermeende overschrijding van de redelijke termijn af, omdat die termijn niet was overschreden sinds het indienen van het cassatieberoep.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding is afgewezen.

Uitspraak

12 juli 2013
nr. 12/01414
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 2 februari 2012, nr. 11/00810, betreffende navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991, 1995 en 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Dit hof (nrs. 03/01592, 04/00345 en 04/00346) heeft de beroepen gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd.

2.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is op de beroepen van de Staatssecretaris van Financiën bij arresten van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, nr. 42715, LJN BA0582, BNB 2007/312, nr. 42716 en nr. 42717, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente verminderd, en de verhogingen kwijtgescholden.

3.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.W.J. Kerckhoffs, advocaat te Breda.

4.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Schadevergoeding

Het beroepschrift in cassatie bevat een verzoek om vergoeding van immateriële schade. Voor zover het verzoek strekt tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, moet het worden afgewezen, reeds omdat de redelijke termijn sedert de indiening van het beroepschrift in cassatie op 15 maart 2012 niet is overschreden (vgl. HR 7 mei 2010, nr. 09/00274, LJN BM3288, BNB 2010/246, en HR 13 mei 2011, nr. 10/01831, LJN BQ4260, BNB 2011/209).

7.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2013.