De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De advocaat-generaal stelde voor het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De benadeelde partij had tevens middelen van cassatie voorgesteld, maar de Hoge Raad oordeelde dat hij niet kan toetreden tot de beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de benadeelde partij indien het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Hoge Raad bevestigde dat de benadeelde partij in cassatie slechts een afhankelijke positie heeft en geen zelfstandig beroep kan instellen. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie, waaronder het arrest van 25 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF4207). De Hoge Raad overwoog dat het ontbreken van een zelfstandige mogelijkheid voor de benadeelde partij om beroep in cassatie in te stellen tegen niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van haar vordering een bewuste keuze van de wetgever is.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk en kon daarom niet inhoudelijk ingaan op de vordering van de benadeelde partij. Tevens werd opgemerkt dat in evidente gevallen de feitenrechter een kennelijke fout in zijn uitspraak kan herstellen. Het arrest werd uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.