Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem betreffende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. De zaak betrof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarop belanghebbende een conclusie van repliek indiende.
De Hoge Raad beoordeelde de aangevoerde klachten en oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door raadsheer C. Schaap als voorzitter, en raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.