ECLI:NL:HR:2013:694

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2013
Publicatiedatum
12 september 2013
Zaaknummer
13/02234
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken handtekening advocaat

In deze zaak heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. Het cassatieverzoekschrift was echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv. Hoewel er een herstelmogelijkheid bestaat binnen twee weken na indiening, heeft verzoeker hier geen gebruik van gemaakt. De Advocaat-Generaal heeft daarom geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste handtekening en het niet benutten van de herstelmogelijkheid. Hiermee wordt bevestigd dat de vormvereisten voor cassatieverzoeken strikt worden nageleefd om de rechtszekerheid en procedurele orde te waarborgen.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Drion, De Groot en in het openbaar uitgesproken door Loth. De uitspraak onderstreept het belang van correcte procedurele naleving in cassatiezaken.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste handtekening en het niet benutten van de herstelmogelijkheid.

Uitspraak

13 september 2013
Eerste Kamer
13/02234
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. de Back.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 406673/FT-EA 12.1820 van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2012;
b. het arrest in de zaak 200.119.001/01 van het gerechtshof te Den Haag van 25 april 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkheid.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift van 2 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is niet, zoals wordt voorgeschreven in art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
Dit gebrek kon binnen twee weken hersteld worden door de indiening van een exemplaar van hetzelfde verzoekschrift, alsnog ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad (HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212). Van deze mogelijkheid heeft [verzoeker] geen gebruik gemaakt. Hij dient derhalve niet-ontvankelijk in zijn cassatie-beroep te worden verklaard.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
13 september 2013.