ECLI:NL:HR:2013:775

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2013
Publicatiedatum
24 september 2013
Zaaknummer
12/02970
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad constateert overschrijding redelijke termijn in cassatie zonder verdere gevolgen

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, maar dat het beroep voor het overige verworpen moest worden.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, mede doordat de stukken te laat door het Hof waren ingezonden.

Hoewel meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, en ondanks de opgelegde werkstraf en voorwaardelijke hechtenis met proeftijd, zag de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad constateert overschrijding van de redelijke termijn maar verwerpt het cassatieberoep zonder verdere rechtsgevolgen.

Uitspraak

24 september 2013
Strafkamer
nr. 12/02970
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 augustus 2011, nummer 20/002892-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vierde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde werkstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 september 2013.