ECLI:NL:PHR:2014:476

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2014
Publicatiedatum
3 juni 2014
Zaaknummer
13/02665
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 lid 3 OpiumwetArt. 311 lid 4 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad corrigeert kwalificatie beroepsmatig handelen in hennepteeltzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van beroepsmatig handelen in strijd met de Opiumwet, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. Het hof kwalificeerde de feiten als meermalen gepleegd, wat de Hoge Raad corrigeert omdat het meermalen overtreden van het verbod reeds is verdisconteerd in het beroepsmatige karakter van het handelen.

De Hoge Raad bespreekt vier cassatiemiddelen. Het eerste middel over het recht van verdachte om het laatst te spreken wordt verworpen omdat de strekking van het voorschrift niet is geschonden. Het tweede middel betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde en slaagt gedeeltelijk: het hof had niet moeten toevoegen dat de feiten meermalen zijn gepleegd. Het derde middel over de onduidelijkheid in de bewezenverklaring omtrent plegen en medeplegen faalt. Het vierde middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn en wordt gegrond verklaard.

De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de kwalificatie van de feiten 1 en 2 en verbetert deze, vermindert de straf tot een gebruikelijke maatstaf, en verwerpt het beroep voor het overige. De zaak illustreert de juridische nuance bij de kwalificatie van beroepsmatig handelen en de toepassing van het begrip meermalen gepleegd binnen de Opiumwet.

Verder bevestigt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verschillende handelingen (telen, verwerken, bewerken, afleveren, vervoeren) een samenhangend geheel vormen dat onder het beroepsmatige handelen valt, zodat een keuze tussen de alternatieven niet noodzakelijk is. De strafvermindering volgt mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de kwalificatie 'meermalen gepleegd', vermindert de straf en bevestigt medeplegen en gewoontewitwassen.

Conclusie

Nr. 13/02665
Zitting: 4 maart 2014 (bij vervroeging)
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 februari 2011 verdachte wegens 1. en 2. telkens “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van gewoontewitwassen en gewoontewitwassen” en 4. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid en vijfde lid van de Opiumwet” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts bevat het arrest nog enkele bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. [1]
3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de verdachte niet het recht heeft gelaten om het laatst te spreken.
4.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2011 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Aan de verdachte, die ermee instemt heden in plaats van op de zitting van 1 februari van dit recht gebruik te maken, wordt hierop het woord gegeven het laatst te spreken.
Verdachte verklaart hierop het volgende.
Ik heb nog privacy en hoop dat het hof rekening wil houden met mijn persoonlijke omstandigheden. Het horloge dat ik van mijn vader heb gekregen is destijds in beslag genomen en heb ik nooit terug gekregen. Dat horloge is me dierbaar.
De voorzitter deelt hierop mede dat er een lijst met in beslag genomen voorwerpen die niet zijn terug gegeven, in het dossier zit.
Verdachte verklaart hierop dat dat klopt maar dat het horloge verdwenen is en dat hij graag zou willen weten hoe dat kan.
De advocaat-generaal deelt hierop het volgende mede.
De enige weg die mogelijk is, is informeren bij de politie of het betreffende horloge tot het beslag hoort. Vooralsnog moet ik het doen met de beslaglijst en daar staat het horloge niet op. Wanneer het horloge er nog zou zijn, heb ik er geen bezwaar tegen dat het terug gegeven wordt aan verdachte.
De raadsman deelt hierop op vragen van de voorzitter mede dat het horloge ook niet terug te vinden is in het conservatoir beslag.
De voorzitter merkt hierop op dat de verdediging eventueel een brief zou kunnen sturen aan de officier van justitie die in eerste aanleg bij de zaak betrokken was. De zaak heeft onder verantwoordelijkheid van die officier bij de politie gedraaid.
De raadsman deelt hierop mede dat hij zal trachten om contact op te nemen met de betreffende officier van justitie.
De voorzitter deelt hierop mede dat de zitting zal worden onderbroken tot 1 februari 2010 te 09.30 uur en dat het hof het onderzoek op die datum zal sluiten.”
4.3.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat na het laatste woord van verdachte, de advocaat-generaal, de raadsman en de voorzitter het woord hebben gevoerd en dat derhalve niet kan worden gezegd dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken.
4.4.
Voorop moet worden gesteld dat na het laatste woord van verdachte geen nieuw onderzoekshandelingen zijn verricht. [2] Ook niet op de nadere terechtzitting van 1 februari 2011, alwaar de voorzitter, na melding te hebben gemaakt van een binnengekomen stuk van de raadsman van verdachte dat aan het dossier zal worden toegevoegd, het onderzoek gesloten heeft verklaard.
4.5.
De bepaling dat aan de verdachte het laatste woord moet worden gelaten, strekt ertoe dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven. [3] Aan die ratio is in casu niet tekort gedaan. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2011 volgt dat de verdachte tijdens het laatste woord naar voren heeft gebracht dat hij het horloge dat hij van zijn vader heeft gekregen en dat bij hem in beslag is genomen, nog niet terug heeft gekregen. Uit de woorden van de advocaat-generaal maak ik op dat het bewuste horloge niet is opgenomen op de lijst van voorwerpen die in de onderhavige zaak onder verdachte in beslag zijn genomen. Hetgeen door de voorzitter, de advocaat-generaal en de raadsman nog na het laatste woord van de verdachte is besproken, heeft dan ook geen betrekking op enige door het Hof te nemen beslissing. Bovendien is het de raadsman van verdachte die ter zitting het laatste woord heeft gehad. Hij is dan ook in de gelegenheid geweest om namens de verdediging als laatste te reageren op datgene wat na het laatste woord nog ter sprake is gekomen.
4.6.
Alleen bij een zeer formalistische uitleg van art. 311 lid 4 Sv Pro kan worden gezegd dat die bepaling in de onderhavige zaak geschonden is. Van een dergelijke formalistische uitleg van art. 311 lid 4 Sv Pro pleegt de Hoge Raad niet uit te gaan. Waarop het aankomt, is of aan de strekking van het voorschrift tekort is gedaan. [4] Ter vergelijking wijs ik op HR 13 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT6033, NJ 2005/502) in welke zaak de voorzitter, nadat de gemachtigde raadsman het woord had gevoerd en de advocaat-generaal had afgezien van repliek, aan de advocaat-generaal vroeg of tegen een vonnis van de Rechtbank te Assen reeds appel was aangetekend en de advocaat-generaal, na schorsing van en hervatting van het onderzoek, de vraag van de voorzitter beantwoordde, waarna de voorzitter het onderzoek sloot. De Hoge Raad oordeelde dat onder deze omstandigheden niet kon worden gezegd dat het Hof aan de raadsman de bevoegdheid had onthouden om het laatst te spreken. [5]
4.7.
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof in de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 ten onrechte geen keuze heeft gemaakt tussen telen en/of verwerken en/of bewerken. Voorts behelst het middel de klacht dat het Hof de bewezenverklaarde feiten telkens ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘meermalen gepleegd’. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.2.
Van het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“1. hij op tijdstippen in de periode van 01 mei 2008 tot en met 31 augustus 2008 te Veghel en Beugen en Berghem, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt, op de percelen
- [a-straat 1] te Veghel,
- [c-straat 1] te Beugen,
- [d-straat 1] te Berghem,
een grote hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl hij, verdachte, voormeld opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
2. hij op tijdstippen in de periode van 01 april 2008 tot en met 30 november 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk heeft afgeleverd en/of vervoerd, een grote hoeveelheid hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks, terwijl hij, verdachte, voormeld opzettelijk afleveren en/of vervoeren heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf.”
5.3.
Het Hof heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit onder meer het volgende overwogen:
“A.4.2. Gelet op het hiervoor onder A 4.1 overwogene, in onderlinge samenhang en verband bezien met de onder A 3 weergegeven feiten en omstandigheden alsmede de overige bewijsmiddelen in het dossier, is het hof van oordeel dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het telen en/of verwerken en/of bewerken van grote hoeveelheden hennepplanten - onder meer - op de locaties [a-straat 1] te Veghel, [c-straat 1] te Beugen en [d-straat 1] te Berghem. Gelet op de rol die verdachte heeft gespeeld bij deze activiteiten, zoals blijkt uit de tapgesprekken en de verklaringen van de getuigen en medeverdachten, de frequentie van de werkzaamheden en het aantal hennepkwekerijen waarbij verdachte betrokken is geweest, is het hof van oordeel dat verdachte deze feiten heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf zoals onder 1 bewezen is verklaard.
(...)
A 5.3
Uit hetgeen hiervoor onder d tot en met I is weergegeven in combinatie met de inhoud van de overige tapgesprekken met [betrokkene 12] zoals opgenomen in het dossier, leidt het hof af dat [betrokkene 12] leverancier van hennepstekken is en dat verdachte en [betrokkene 12] regelmatig contact met elkaar hadden over het leveren van hennepstekken door [betrokkene 12] aan verdachte en/of aan contactpersonen van verdachte (o.a. [betrokkene 13], [betrokkene 14], [betrokkene 15]). Op 4 november 2008 vraagt verdachte aan [betrokkene 12] om '1 rond' te doen. [betrokkene 2] wordt op 5 november 2008 naar [betrokkene 12] gestuurd en wordt op de terugweg aangehouden met 1005 hennepstekken in de auto. De volgende dag wordt meteen iemand anders ([betrokkene 18]) gestuurd om de bestelling (1 rond) alsnog op te gaan halen. De bestelling van '1 rond' ziet, mede gelet op de verklaring van verdachte hierover, op 1.000 stekken. Het hof leidt hieruit af dat bestellingen steeds werden geduid met enkeltallen, zoals 4 (zie onder d) dat ziet op 400 stekken, 7 (zie onder h) dat ziet op 700 stekken en 8 (zie onder i) dat ziet op 800 stekken. Dit wordt ondersteund door de inhoud van de overige tapgesprekken met [betrokkene 12] zoals opgenomen in het dossier waarin het steeds gaat over door [betrokkene 12] te leveren 'aantallen' zoals: "3 moest je er toch hebben" (pagina 107), "Ik heb het rond 1" (pagina 79) "je moest toch 5 hebben" (pagina 138). Het vorenstaande wordt bovendien nog ondersteund door de inhoud van de gesprekken met [betrokkene 16] en [betrokkene 17], waarin ook steeds over aantallen werd gesproken (zie onder meer onder a en b) en waarvan verdachte heeft verklaard dat het in die gesprekken over hennep ging. Ten slotte verklaren zowel verdachte als [betrokkene 2] dat [betrokkene 2] een aantal keren hennepstekken in opdracht van verdachte heeft opgehaald en vervoerd.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte in de periode tussen 1 april 2008 en 30 november 2008 in ieder geval meerdere keren betrokken is geweest bij het vervoeren van grote hoeveelheden hennep(planten) en/of hennepstekken zoals onder 2 bewezen is verklaard. Gelet op de rol die verdachte heeft gespeeld bij deze activiteiten, zoals blijkt uit de tapgesprekken en het grote aantal bestellingen en transporten waarbij verdachte betrokken is geweest, is het hof van oordeel dat verdachte deze feiten heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf zoals onder 2 bewezen is verklaard.”
5.4.
Het Hof heeft de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”.
5.5.
Het Hof heeft in de bewezenverklaring van feit 1 geen keuze gemaakt tussen telen en/of verwerken en/of bewerken en in de bewezenverklaring van feit 2 geen keuze gemaakt tussen afleveren en/of vervoeren. Voor zover het gaat om de alternatieven die telkens door het woord “of” worden belichaamd, kan wellicht gezegd worden dat het gaat om een keuze die voor de strafrechtelijke betekenis van de bewezenverklaarde feiten niet van belang is, zodat het Hof ook niet gehouden was die keuze te maken. Of nu verwerkt is of bewerkt, dan wel afgeleverd of vervoerd, de kwalificatie van het feit blijft steeds hetzelfde (kort gezegd: handelen in strijd met een in art. 3, onder B, Opiumwet gegeven verbod). Maar wat daarvan ook zij, voor de alternatieven die belichaamd worden door het woord “en” lijkt deze redenering niet op te gaan. Als sprake is van telen én verwerken én bewerken, lijkt immers, de mogelijkheid van een voortgezette handeling daargelaten, de kwalificatie te moeten luiden: meermalen gepleegd. Hetzelfde geldt voor het alternatief vervoeren én afleveren.
5.6.
De vraag die deze stand van zaken oproept, is of de verdachte wel voldoende belang heeft bij de desbetreffende klacht. Ik laat die vraag rusten, omdat het middel ook klaagt over de kwalificatie ‘meermalen gepleegd’ en beide klachten niet los van elkaar staan. Daarover het volgende.
5.7.
De steller van het middel beroept zich op HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8654, waarin de Hoge Raad met betrekking tot het verkopen van soft drugs oordeelde dat bij de vraag of sprake is van handelen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’, (grote) betekenis toekomt aan het al dan niet “geregelde en stelselmatige” karakter van die verkoop. Daarmee is niet gezegd dat handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf per definitie betekent dat het in art. 3, onder B, Opiumwet gegeven verbod meermalen is overtreden (een omvangrijke en professioneel opgezette hennepkwekerij waarin nog maar één keer is geteeld, kan reden opleveren voor het oordeel dat beroeps- of bedrijfsmatig werd geteeld), maar wel dat het meermalen overtreden van het bedoelde verbod het handelen een geregeld en stelselmatig karakter kan geven en aldus een aspect van het handelen is dat al verdisconteerd is in het oordeel dat gehandeld is in de uitoefening van een beroep of bedrijf. [6] De toevoeging ‘meermalen gepleegd’ aan de kwalificatie is dan dus dubbel op. Een vergelijking kan hier worden gemaakt met de gewoonteheling van art. 417 Sr Pro. Als de gewoonte niet kan worden bewezen (bijvoorbeeld omdat de diverse helingshandelingen geen samenhang vertonen), kan het overige gekwalificeerd worden als heling, meermalen gepleegd. [7] De gewoonte absorbeert hier als het ware de meerdaadse samenloop.
5.8.
Zou het nu, als in deze lijn wordt doorgedacht, verschil moeten maken of het bedoelde verbod meermalen op dezelfde wijze is overtreden dan wel meermalen op verschillende wijze? Stel dat in het genoemde arrest uit 2008 niet alleen was bewezenverklaard dat de verdachte had verkocht, maar ook dat hij had afgeleverd. Zou dan wel in de kwalificatie tot uitdrukking moeten worden gebracht dat het bedoelde verbod in de uitoefening van beroep of bedrijf meermalen is overtreden (of althans dat sprake is van een voortgezette overtreding van dat verbod in de uitoefening van beroep of bedrijf)? Ik zou die vraag ontkennend willen beantwoorden. Zolang de verschillende overtredingen van het verbod bij wijze van spreken zijn begaan in de uitoefening van hetzelfde beroep of bedrijf, geldt dat de meerdaadse samenloop verdisconteerd is in het oordeel dat beroeps- of bedrijfsmatig is gehandeld. [8] Voorwaarde daarbij is wel dat de verschillende gedragingen onderling voldoende samenhang vertonen. Of sprake is van een samenhangend geheel is daarbij een feitelijke vraag, op dezelfde wijze als de vraag of twee klappen één mishandeling dan wel twee aparte mishandelingen opleveren een feitelijke vraag is die aan de vraag naar de samenloop voorafgaat. [9]
5.9.
Voor de hier verdedigde benadering pleit ook een rechtspolitiek argument. In het licht van de forse strafverzwaring waarin art. 11 lid 3 Opiumwet Pro voorziet (zes jaar, terwijl de ‘gewone’ meerdaadse samenloop, of die nu uit gelijksoortige of uit ongelijksoortige overtredingen bestaat, een maximum kent van twee jaar plus één derde), is er onvoldoende reden om onderscheid te maken tussen het stelselmatig op gelijksoortige en het stelselmatig op ongelijksoortige wijze overtreden van het bedoelde verbod. Acht jaar (zes jaar plus één derde) is voor het in de uitoefening van beroep of bedrijf overtreden van verschillende in art. 3, onder B, Opiumwet gestelde verboden erg veel van het goede. In de lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot voorbedachte raad en roekeloosheid ligt dat aan strafverzwarende omstandigheden een invulling wordt gegeven die de strafverzwaring kan rechtvaardigen.
5.10.
Terug naar de onderhavige zaak. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat verdachte ten aanzien van feit 1 in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld mede in aanmerking genomen het aantal hennepkwekerijen. Dat verdachte meermalen hennepplanten heeft geteeld en/of verwerkt en/of bewerkt is aldus reeds verdisconteerd in het oordeel van het Hof dat de verdachte handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het Hof heeft daarbij voorts kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verschillende tenlastegelegde handelingen (telen, verwerken en bewerken) voor zover daarvan sprake is een samenhangend geheel vormen zodat al die alternatieve gedragingen ‘geabsorbeerd’ worden door de kwalificatie ‘in de uitoefening van beroep en bedrijf’. Een keuze tussen de verschillende varianten is derhalve voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van betekenis.
5.11.
Datzelfde heeft m.m. te gelden voor feit 2. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat de verdachte ten aanzien van dit feit in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld mede in aanmerking genomen het grote aantal bestellingen en transporten waarbij verdachte betrokken is geweest. Ook hier is in het oordeel van het Hof dat de verdachte handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf reeds verdisconteerd dat verdachte meermalen hennep(planten) en/of hennepstekken heeft afgeleverd en/of vervoerd. Voorts heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het bedoelde afleveren en vervoeren zodanig samenhingen dat van een en hetzelfde beroeps- of bedrijfsmatig handelen kan worden gesproken, zodat een keuze tussen de verschillende alternatieven niet was vereist.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de eerste klacht ongegrond is en de tweede klacht gegrond. Het Hof heeft de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten telkens ten onrechte gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, of althans niet tot verwijzing of terugwijzing, nu de Hoge Raad de kwalificatie verbeterd kan lezen, of de fout na gedeeltelijke vernietiging eigenhandig kan herstellen. Deze verbetering behoeft naar mijn mening geen gevolgen te hebben voor de opgelegde straf. Zij brengt – gelet op het geheel aan bewezenverklaarde feiten – geen verandering in de straf die het Hof maximaal kon opleggen. De verbetering betreft voorts enkel de juridische waardering van de bewezenverklaarde feiten. Uit de strafmotivering volgt dat het Hof bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking heeft genomen dat verdachte betrokken is geweest bij acht knipdagen en bij een groot aantal transporten van hennepstekken en/of hennepplanten, maar dit zijn omstandigheden die vervat zijn in het feit dat verdachte handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat het Hof daarop ook acht mocht slaan als het de feiten juist had gekwalificeerd.
5.13.
Het standpunt van de Hoge Raad met betrekking tot de tweede klacht is niet duidelijk. [10] Ik meen daarom dat de rechtspraktijk gediend is met een expliciet oordeel van de Hoge Raad. Het is om die reden dat ik niet kies voor de weg van de verbeterde lezing, maar voor die van de partiële vernietiging.
5.14.
Het middel slaagt gedeeltelijk.

6.Het derde middel

6.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit geen keuze heeft gemaakt tussen plegen en medeplegen.
6.2.
Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2005 tot en met 19 januari 2009 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een aanzienlijke hoeveelheid contant geld, waaronder:
- diverse bedragen met betrekking tot de aankoop van personenauto's, en/of een Mercedes C320 CDI Avantgarde en/of andere voertuigen en/of kosten voor verzekeringen ten behoeve van deze personenauto's en/of voertuigen en/of
- geldbedragen voor levensonderhoud, kleding en schoeisel tot een totaalbedrag van 45.960 euro, of daaromtrent, en/of
- in of omstreeks de periode van 23 juni 2006 tot en met 16 februari 2008 geldbedragen tot een totaalbedrag van 174.726,64 euro, of daaromtrent, betreffende betalingen aan [B] en/of
- in of omstreeks de periode van 2 april 2007 tot en met 17 april 2008 geldbedragen tot een totaalbedrag van 35.364,47 euro, of daaromtrent, betreffende betalingen aan [C] en/of
- geldbedragen tot een totaalbedrag van 26.842 euro of daaromtrent, betreffende betalingen aan [H] en/of
- geldbedragen tot een totaalbedrag van 4.005 euro, of daaromtrent, betreffende betalingen ten behoeve van de aankoop van een caravan en de huur van een standplaats op camping [I] en/of
- geldbedragen betreffende betalingen ten behoeve van de aankoop en bouw van een sauna, jacuzzi en veranda
heeft voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededader van het plegen van voormelde feiten een gewoonte hebben gemaakt.”
6.3.
Het Hof heeft het onder 3 bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als “Medeplegen van gewoontewitwassen en Gewoontewitwassen”.
6.4.
Gelet op deze dubbele kwalificatie is het kennelijk de bedoeling van het Hof geweest om deels plegen en deels medeplegen bewezen te verklaren. Kennelijk is als gevolg van een misslag in de bewezenverklaring opgenomen dat de verdachte tezamen met een ander althans alleen handelde. De Hoge Raad zou de bewezenverklaring verbeterd kunnen lezen door de woorden “althans alleen” te wijzigen in “en alleen” en de woorden “en/of zijn mededader” te wijzigen in “en zijn mededader”.
6.5.
Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat uit de bewezenverklaring niet kan worden afgeleid ten aanzien van welke geldbedragen de verdachte alleen dan wel tezamen en in vereniging met een ander handelde. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden nu die onduidelijkheid aan de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde feit niet afdoet.
6.6.
Het middel faalt derhalve.

7.Het vierde middel

7.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in cassatie is overschreden.
7.2.
Namens de verdachte is op 23 februari 2011 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 april 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim een jaar en zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit zou moeten leiden tot strafvermindering.
8. Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt gedeeltelijk, maar de Hoge Raad kan, in zoverre opnieuw rechtdoende, de fout herstellen. Het vierde middel slaagt.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de aan de feiten 1 en 2 gegeven kwalificatie en tot verbetering daarvan, voorts tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat de strafoplegging betreft, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte 4] (11/00786), [medeverdachte 2] (11/03589) en [medeverdachte 3] (13/02664), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.
2.HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4660, NJ 2011/184.
3.HR 5 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB9001, NJ 1993/494.
4.Daarbij valt wellicht deze ontwikkeling te bespeuren, dat de strekking aanvankelijk werd betrokken bij de vraag of de niet-naleving van het letterlijk genomen voorschrift tot nietigheid diende te leiden (zie bijv. het in noot 3 genoemde arrest), terwijl thans het voorschrift overeenkomstig zijn strekking wordt uitgelegd (zie het zo dadelijk te bespreken arrest).
5.Zie ook HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:775 (PHR:824), waarin het desbetreffende middel met art. 81 RO Pro werd afgedaan.
6.In gelijke zin mijn ambtgenoot Hofstee in de conclusie die voorafging aan HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3665.
7.Vgl. HR 24 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0589, NJ 1989/539.
8.In gelijke zin kennelijk mijn ambtgenoot Hofstee in zijn in noot 6 genoemde conclusie. In deze zaak was bewezenverklaard dat kort gezegd de verdachte in de uitoefening van beroep of bedrijf meermalen opzettelijk had verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd.
9.Vgl. NLR, aant. 7 op art. 55 en Pro het daarin genoemde HR 29 januari 1923, W 11035. Zie ook HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1455.
10.In HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2344 las de Hoge Raad de kwalificatie verbeterd, maar liet daarbij de kwalificatie ‘meermalen gepleegd’ ongemoeid. In HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8654 (besproken onder 5.7) was de toevoeging ‘meermalen gepleegd’ door het Hof achterwege gelaten. De Hoge Raad zag kennelijk geen aanleiding om deze kwalificatie te verbeteren. In HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3665 klaagde het middel over de kwalificatie ‘meermalen gepleegd’. Mijn ambtgenoot Hofstee concludeerde tot verbeterde lezing, de Hoge Raad deed het middel af met art. 81 RO Pro. Of dat betekent dat de Hoge Raad de conclusie is gevolgd, is de vraag.