De zaak betreft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch over belastingaanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 1999 en 2000. Belanghebbende hield rekeningen aan bij de Kredietbank Luxembourg, waarvan hij het bestaan ontkende en geen gegevens verstrekte.
De Inspecteur had aangekondigd aanslagen op basis van geschatte bedragen op te leggen met boetes van 100%, omdat belanghebbende geen aangiften had gedaan. Het hof oordeelde dat uitstel voor het doen van aangiften was verleend en dat de boetes daarom niet terecht waren opgelegd, mede omdat belanghebbende was uitgenodigd tot het doen van aangifte en een boete achterwege moest blijven.
De Hoge Raad stelt dat het hof niet heeft vastgesteld of de termijn voor het doen van aangifte was verstreken, een vereiste voor het opleggen van een boete op grond van artikel 67d AWR. De bekendheid van de Inspecteur met de rekening is daarbij niet relevant. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de boetebeschikkingen betreft en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep gegrond. De zaak wordt verwezen met instructie om te beoordelen of sprake is van beboetbare feiten en of de boetes passend zijn.