ECLI:NL:HR:2013:BY0816
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Y. Buruma
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over bewijsuitsluiting en vormverzuim bij vingerafdrukonderzoek
In deze zaak stond de vraag centraal of het dactyloscopisch profiel van verdachte, vervaardigd op 15 juni 2000 en niet verwijderd uit het politieregister ondanks een vrijspraak, uitgesloten moest worden als bewijs wegens vormverzuim. De verdediging stelde dat het profiel vernietigd had moeten worden, wat volgens haar een vormverzuim opleverde dat bewijsuitsluiting rechtvaardigde.
De Hoge Raad overwoog dat het ontbreken van een afloopbericht aan de beheerder van het politieregister niet automatisch betekent dat het profiel onrechtmatig in de databank bleef. Het Openbaar Ministerie had op redelijke gronden kunnen besluiten dat verdachte niet ten onrechte als verdachte was aangemerkt en hoefde daarom geen verwijdering te gelasten. Hierdoor was geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Verder stelde de Hoge Raad dat bewijsuitsluiting wegens vormverzuim buiten artikel 359a Sv slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en dat het gestelde vormverzuim niet leidde tot een zodanige schending van strafvorderlijke voorschriften dat het bewijs moest worden uitgesloten.
Daarnaast werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden. Het arrest vernietigde de bestreden uitspraak alleen wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot 23 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het bewijs van de vingerafdruk blijft toegelaten.