Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor inbraak en diefstal van een geldbedrag uit een woning aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage op 16 juli 2014. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op een vingerafdruk gevonden op een opengebroken valraam, maar motiveerde onvoldoende waarom deze vingerafdruk toereikend was om verdachte als dader aan te merken.
Verdachte voerde een bewijsverweer aan waarin hij ontkende ooit in de woning te zijn geweest en betwistte de herkomst van zijn vingerafdruk. Het hof reageerde niet adequaat op dit verweer, hetgeen volgens de Hoge Raad een schending van artikel 359 lid 2 Sv Pro inhoudt en leidt tot nietigheid van het arrest. Tevens werd onvoldoende ingegaan op een bewijsuitsluitingsverweer op grond van een vormverzuim bij het afnemen en bewaren van vingerafdrukken.
De Hoge Raad oordeelt dat de motivering van het hof ontoereikend en onbegrijpelijk is, omdat niet duidelijk is gemaakt waarom de bewijsmiddelen voldoende zijn voor de bewezenverklaring. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de motiveringsvereisten en het bewijsverweer van verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring en het niet adequaat reageren op het bewijsverweer van verdachte.