Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
16 september 2014
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege een getuigentraining van zes verbalisanten, voorbereid door een docente van de Politieacademie. De verdediging stelde dat deze training bedoeld was om verklaringen te beïnvloeden en dat daardoor het recht op een eerlijk proces was geschonden.
Het hof oordeelde dat hoewel de training onverstandig was en de schijn van beïnvloeding wekte, er geen bewijs was dat de training daadwerkelijk tot beïnvloeding van de verklaringen had geleid. Ook was niet aannemelijk dat ontlastende informatie was verzwegen of dat de betrouwbaarheid van de processen-verbaal was aangetast. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat niet-ontvankelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, namelijk bij grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte.
De Hoge Raad nam daarbij mee dat de training bedoeld was om verbalisanten voor te bereiden op het verhoor en niet om inhoudelijke afstemming te bewerkstelligen. Hoewel het hof aannam dat het geheugen van verbalisanten mogelijk onbewust beïnvloed kon zijn, was dit onvoldoende voor bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige procesorde maar erkent dat niet elke onzorgvuldigheid leidt tot uitsluiting van bewijs of niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het beroep van de verdachte wordt verworpen; het Openbaar Ministerie blijft ontvankelijk ondanks de getuigentraining.