ECLI:NL:HR:2013:BY2691
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing FPU-uitkeringen na inwerkingtreding WHW bij Rijksuniversiteit
Belanghebbende, die sinds 2000 in Thailand woont, was van 1968 tot 2002 werkzaam bij een Rijksuniversiteit. Na zijn vervroegd pensioen ontving hij in 2005 FPU-uitkeringen. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op die werd verminderd door de Rechtbank Breda, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. De kern van het geschil was of Nederland op grond van artikel 19 van Pro het Belastingverdrag Nederland-Thailand de FPU-uitkeringen mocht belasten.
Belanghebbende stelde dat zijn dienstbetrekking na de inwerkingtreding van de WHW niet langer een publiekrechtelijke dienstbetrekking was, waardoor de uitkeringen niet belast mochten worden. Het Hof oordeelde echter dat de Rijksuniversiteit ook na de WHW een publiekrechtelijke rechtspersoon bleef die een overheidstaak vervult, en dat belanghebbende in overheidsdienst bleef. Hierdoor was Nederland bevoegd de uitkeringen te belasten.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel. Uit de WHW, het Burgerlijk Wetboek en de Grondwet volgt dat de Rijksuniversiteit een publiekrechtelijke rechtspersoon blijft. De betekenis van 'overheidsfunctie' in het belastingverdrag wordt bepaald aan de hand van de Nederlandse wetgeving. De Hoge Raad wijst erop dat de wetgever bij de WHW-uitvoering uitging van voortzetting van ambtelijke aanstellingen. Belanghebbende heeft geen feiten aangevoerd die het publiekrechtelijke karakter van zijn dienstbetrekking na de WHW aantonen te zijn gewijzigd.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de aanslag terecht is opgelegd. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting over de FPU-uitkeringen wordt bevestigd.