ECLI:NL:PHR:2013:BY2691
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffingsbevoegdheid Nederland over FPU-uitkeringen van universitair ambtenaar
Belanghebbende, woonachtig in Thailand, ontving FPU-uitkeringen die deels betrekking hadden op dienstjaren bij een Nederlandse openbare universiteit (A). De Rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar het Hof stelde dat de dienstbetrekking een publiekrechtelijke was gebleven en dat Nederland heffingsbevoegdheid had op grond van artikel 19 van Pro het belastingverdrag Nederland-Thailand.
In cassatie betoogde belanghebbende dat de privatisering door de WHW betekende dat zijn dienstbetrekking geen overheidsfunctie meer was, en dat de heffingsbevoegdheid daarom aan Thailand toekwam. De Hoge Raad bevestigde echter dat A een publiekrechtelijke rechtspersoon is en dat de rechtspositie van het personeel gelijkstaat aan ambtenaren, waardoor de uitkeringen onder artikel 19 vallen Pro.
De Hoge Raad verwierp ook de klacht dat de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het belastbaar inkomen niet hoger mocht vaststellen dan bij de aanslag. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat Nederland heffingsbevoegd is over de FPU-uitkeringen van belanghebbende.