ECLI:NL:HR:2013:BY4109

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/01943
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROHaags Kinderbeschermingsverdrag 1996Verordening EG Nr. 2201/2003
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie in gezagsvoorziening minderjarige en internationale bevoegdheid

In deze zaak stond een geschil over de gezagsvoorziening van een minderjarige centraal, waarbij de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de orde was. De vader, woonachtig in Bolivia, stelde cassatie in tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin het hof de eerdere beslissing van de rechtbank bevestigde.

De Hoge Raad verwees naar de relevante stukken uit de eerdere instanties en nam kennis van de conclusie van de Advocaat-Generaal, die het cassatieberoep verwierp. De klachten van de vader werden inhoudelijk beoordeeld maar boden geen grond voor cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en de Verordening Brussel II-bis (EG Nr. 2201/2003). Het beroep werd verworpen en de beschikking van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

8 februari 2013
Eerste Kamer
12/01943
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats], Bolivia,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De moeder],
wonende op een geheim adres,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. J. van Duijvendijk-Brand en mr. I.C. Blomsma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de moeder.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 388221/FA RK 11-1505 van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 mei 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.091.483/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 februari 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vader heeft bij brief van 26 november 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.A. Loth en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 februari 2013.