ECLI:NL:HR:2013:BY4109
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatie in gezagsvoorziening minderjarige en internationale bevoegdheid
In deze zaak stond een geschil over de gezagsvoorziening van een minderjarige centraal, waarbij de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de orde was. De vader, woonachtig in Bolivia, stelde cassatie in tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin het hof de eerdere beslissing van de rechtbank bevestigde.
De Hoge Raad verwees naar de relevante stukken uit de eerdere instanties en nam kennis van de conclusie van de Advocaat-Generaal, die het cassatieberoep verwierp. De klachten van de vader werden inhoudelijk beoordeeld maar boden geen grond voor cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en de Verordening Brussel II-bis (EG Nr. 2201/2003). Het beroep werd verworpen en de beschikking van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof blijft in stand.