ECLI:NL:HR:2013:BY8780
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- Rechtspraak.nl
Nadere verkrijging door fideï-commissaire vormt één verkrijging voor successierecht
In deze zaak gaat het om de vraag of de verkrijging door belanghebbenden uit de nalatenschap van hun vader in 1999 en de latere verkrijging uit hoofde van een fideï-commissaire making in 2007 als één verkrijging moeten worden beschouwd voor de heffing van successierecht.
De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat deze verkrijgingen gezamenlijk moeten worden gezien als één verkrijging, waarbij de vrijstellingen slechts eenmaal kunnen worden toegepast en het progressieve tarief over de totale verkrijging moet worden berekend. Belanghebbenden waren het hier niet mee eens en stelden dat de verkrijgingen afzonderlijk belast moesten worden.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en stelt dat de Successiewet 1956 inhoudt dat al wat krachtens erfrecht wordt verkregen uit één nalatenschap als één verkrijging moet worden beschouwd. De berekening van het successierecht over de nadere verkrijging moet rekening houden met de reeds toegepaste vrijstellingen en het totale bedrag van de verkrijgingen.
De methode van berekening die de inspecteur en het hof hebben gehanteerd, waarbij het successierecht over de nadere verkrijging naar evenredigheid wordt berekend, wordt door de Hoge Raad als juist beoordeeld. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat oorspronkelijke en nadere verkrijging samen één verkrijging vormen voor successierecht.