Conclusie
[eisers] in meervoud(eisers tot cassatie),
de bewindvoerder(verweerder in cassatie onder 1) en
[verweerster 2](verweerster in cassatie onder 2).
1.Inleiding
2.Feiten
erflater) overleden. Erflater heeft uit zijn door echtscheiding ontbonden huwelijk met [betrokkene 1] twee kinderen: [verweerster 2] en [eiser 1] (hierna:
[eiser 1]).
[betrokkene 2]) twee dochters: de meerderjarige [eiseres 2] (hierna:
[eiseres 2]) en [de minderjarige] (hierna:
[de minderjarige]).
het testament) over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij [verweerster 2] en [eiser 1] tot zijn enige erfgenamen benoemd, onder opneming van een tweetrapsmaking. Het testament houdt onder meer in:
Benoeming bezwaarde en verwachters
Strekking van de tweetrapsmaking
Overgang van de eerste naar de tweede trap
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Hij heeft, samengevat, gevorderd dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het hof). [2] Zij hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de bewindvoerder afwijst, met veroordeling van hem in de kosten van de procedures in beide instanties.
4.Het middel in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
benoemden evenmin door [eiser 1]
vermeldingals zodanig in de verklaring van erfrecht. Een en ander neemt volgens het middel niet weg dat de ontbindende voorwaarde waaronder [eiser 1] als erfgenaam was benoemd al in werking was getreden op het moment van opstellen van het testament en nog steeds was vervuld toen de nalatenschap openviel, zodat [eiser 1] vanwege zijn faillissement niet (daadwerkelijk) zou erven en ook niet (daadwerkelijk) erfde.
toekomstige en onzekeregebeurtenis; de werking van de voorwaarde kan een opschortende of een ontbindende zijn. [7] In zijn proefschrift over de voorwaarde in het vermogensrecht beklemtoont Stolz “dat voor het geldend recht onzekerheid essentieel is om van een voorwaarde te kunnen spreken. Of iets nauwkeuriger: ‘onzekerheid’ ten aanzien van de vraag of de gebeurtenis die de inhoud van de voorwaarde vormt al dan niet zal intreden.” Hij spreekt van het ‘dwingende vereiste van onzekerheid’. [8] Of de gebeurtenis die de voorwaarde vormt toekomstig of onzeker is, moet naar het ogenblik van het overlijden van de erflater beoordeeld worden. Een uiterste wilsbeschikking werkt immers eerst na het overlijden (lees: vanaf het tijdstip van overlijden) van een erflater (art. 4:42 lid 1 BW Pro). In het geval dat de gebeurtenis op het ogenblik van het maken van de uiterste wil nog een voor de erflater onzekere of nog een toekomstige was, maar dit niet meer is op het ogenblik van zijn overlijden, heeft men niet met een voorwaardelijke beschikking te doen, aldus Perrick. [9] In dezelfde zin lees ik Verstappen. [10]
geenerfgenaam is. In beide gevallen is van een voorwaardelijk erfgenaamschap geen sprake en dus evenmin van een voorwaardelijke verkrijging als erfgenaam. Een ‘voorwaarde om erfgenaam te zijn’ is, kortom, iets anders dan ‘voorwaardelijk erfgenaam’ zijn. Beide betekenissen kunnen voorkomen in een uiterste wilsbeschikking.
zijn gewordendoor het in vervulling gaan van de voorwaarde (r.o. 4.9). [17] Een en ander moet echter, zoals Subelack terecht opmerkt, vermogensrechtelijk niet te letterlijk worden opgevat. De nalatenschap valt maar één keer open en zowel de bezwaarde als de verwachter zijn
directerfgenaam en ook direct voorwaardelijk gerechtigd tot (de goederen van) de nalatenschap. [18] Ik haast me op te merken dat dit besef in de literatuur volop aanwezig is en dat de aanduidingen vaak meer een ‘als het ware’ zijn, doelend op de praktische effecten.
onzekerevoorwaarde te zijn. De vraag rijst natuurlijk wat de betekenis is van een in een uiterste wilsbeschikking gestelde ‘voorwaarde’ als deze ‘voorwaarde’ bij het overlijden van de erflater is ‘vervuld’. Perrick schrijft dat in die situatie sprake is van óf een onvoorwaardelijk geldige uiterste wilsbeschikking óf van een wilsbeschikking die geen effect heeft. [19] Onvoorwaardelijk geldig acht hij de wilsbeschikking indien op het ogenblik van overlijden de gestelde opschortende voorwaarde vervuld is. [20]
5.Het middel in het principaal cassatieberoep
resultaatgerichtis: ontvangt de legitimaris niet wat hem of haar ten minste toekomt als legitieme portie, dan heeft hij of zij ter zake van het tekort een vorderingsrecht ten opzichte van – in beginsel – de gezamenlijke erfgenamen of de langstlevende echtgenoot (art. 4:79, aanhef en onder a, en art. 4:80 lid 1 BW Pro) (de legitimaire vordering). De legitimaris komt uit hoofde van die regeling dus géén vermogensbestanddelen van de nalatenschap toe. [30] Men zou het ook zo kunnen zeggen dat de legitieme portie geen goederenrechtelijke maar alleen verbintenisrechtelijke rechtsgevolgen heeft, wat van invloed kan zijn op de wijze waarop de regeling moet worden geïnterpreteerd.
eerste stapis het vaststellen van het bedrag waarover de legitieme portie wordt berekend. Het gangbare begrip ‘legitimaire massa’ vertegenwoordigt de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (art. 4:65, eerste volzin, BW) (zie nader hierna).
tweede stapis het vaststellen van het bedrag van de legitieme portie. De legitieme portie van een kind bedraagt de helft van de legitimaire massa, gedeeld door het aantal personen dat wordt gegeven door de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot samen met diens kinderen (art. 4:64 lid Pro 1 i.v.m. art. 4:10 lid 1 onder Pro a BW). Dus indien de erflater een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en twee kinderen had, dan is dat aantal drie en bedraagt de legitieme portie van een kind 1/6 van de legitimaire massa.
derde stapis het vaststellen van het bedrag van de legitimaire vordering. Daartoe wordt op de legitieme portie in mindering gebracht (ook wel: ‘geïmputeerd’ of ‘toegerekend’):
waarde(artikel 4.3.3.1 lid 1), aan de voormelde – daarmee nauw samenhangende – regel inzake het legaat in geld ter voldoening aan de legitieme, alsmede aan de inkorting bij giften zoals neergelegd in artikel 4.3.3.14 lid 1.” [39]
in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflateraanspraak kan maken.” [40] [mijn curs., A-G]
außer Betracht-regel zou moeten toegepast. [42] Deze regel zou er in de kern op neerkomen dat de legitimaris een zogenoemde ‘inferieure making’ (zoals een voorwaardelijke making) kan ontlopen
door verwerpingvan de nalatenschap, zodat het waardedrukkende effect van een voorwaarde
bij aanvaardingvoor rekening van de legitimaris komt. Dit is voor het Duitse erfrecht te vinden in § 2307 BGB. [43]
onvoorwaardelijke verkrijging in mindering komt op de legitieme portie (zie hiervoor in alinea 5.8). Nu is dit later bijgesteld, namelijk toen de legitieme portie in de loop van het wetgevingsproces werd beperkt tot een geldvordering, [44] maar het is wat mij betreft wel een grote stap verder om bij de waardering van een voorwaardelijke verkrijging die voorwaarde buiten beschouwing te laten. Daarmee wordt onder omstandigheden immers een resultaat bereikt waarbij de legitimaris – doordat hij de nalatenschap heeft aanvaard – feitelijk slechts een gering deel of zelfs niets van de legitieme portie ontvangt. Mij is niet gebleken dat een dergelijke logica aan art. 4:71 BW Pro ten grondslag ligt. Art. 4:63 lid 1 BW Pro wijst, als gezegd, op het tegendeel.
außer Betracht-regel juist rechtvaardig kan uitpakken, [45] maakt dat niet anders.
werkelijkof
daadwerkelijkkrachtens erfrecht verkrijgt. [46] Gelet op wat ik hiervoor de resultaatgerichtheid van de legitieme portie noemde, kan ik mij hierin vinden. Maar ik zou het net anders willen zeggen gelet op wat hiervoor aan de orde kwam: in mindering komt de
werkelijke waarde(dus niet zonder meer de nominale waarde) van wat iemand krachtens erfrecht verkrijgt.
te zijner tijdop zijn legitieme portie in mindering zal worden gebracht.”
bezwaardebenoemd en was het kind (tevens legitimaris) tot
verwachterbenoemd. In die situatie is het voor het kind, indien het een beroep wil doen op de legitieme, van belang dat duidelijk wordt of de voorwaardelijkheid van de erfrechtelijke making in de omstandigheden van het geval een drukkend effect heeft op de waarde van al hetgeen hij krachtens erfrecht verkrijgt, en of daarmee rekening mag worden gehouden bij de waardering in het kader van de imputatie op grond van art. 4:71 BW Pro (en zo ja, hoe). De situatie in de onderhavige zaak is anders. Daarin is een kind van erflater die tevens legitimaris is, [eiser 1] ,
bezwaardeen kunnen [eiseres 2] en [de minderjarige] , de
verwachters, geen beroep doen op de legitieme. [49] Weliswaar kan ook in een dergelijke situatie waarin de legitimaris geen verwachter is, maar bezwaarde, de vraag aan de orde zijn of sprake is van een waardedrukkend effect van de ontbindende voorwaarde waaronder hij zijn erfdeel verkrijgt maar in de praktijk zal deze vraag denk ik aanmerkelijk minder vaak aan de orde zijn. De vraag die in cassatie aan de orde is, speelt met name in het geval dat de legitimaris
verwachteris.
verwachteris.