ECLI:NL:HR:2013:BZ0170

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00828
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsrechtelijke beoordeling van uitsluitingsclausule en zorgplicht verzekeraar bij schade aan zeeschip

In deze zaak stond de vraag centraal of een uitsluitingsclausule in een verzekeringsovereenkomst van toepassing was en of de verzekeraar tekort was geschoten in zijn zorgplicht met betrekking tot schade aan een zeeschip. De eisers, voormalig beherend vennoot van een commanditaire vennootschap, hadden beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten en stukken die aan het arrest zijn gehecht en behandelt het cassatieberoep zonder nadere motivering, omdat de aangevoerde klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was tot verwerping van het cassatieberoep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Tevens werd de eisers veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

15 maart 2013
Eerste Kamer
12/00828
TT/TJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiser 2],
wonende te [woonplaats],
beiden in hun hoedanigheid van voormalig beherend vennoot van de commanditaire vennootschap [A] C.V., in liquidatie,
EISERS tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P.A. Ruig, thans mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
de onderlinge waarborgmaatschappij SCHEPEN ONDERLINGE NEDERLAND U.A.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en SON.
1. Het geding
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het arrest in de zaak 07/10521 van de Hoge Raad van 27 februari 2009;
b. het arrest in de zaak 200.029.258 van het gerechtshof te Arnhem van 25 oktober 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
SON heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. R.L.M.M. Tan, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SON begroot op € 799,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 15 maart 2013.