ECLI:NL:HR:2013:BZ0285

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/04783
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 5 Wet BopzArt. 20 Wet BopzArt. 21 Wet BopzArt. 27 Wet Bopz
Verwijzingen
11 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorlopige machtiging en voortzetting inbewaringstelling psychiatrisch ziekenhuis

In deze zaak stond de vraag centraal of de rechtbank terecht een voorlopige machtiging voor opname in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verleend terwijl tegelijkertijd een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling aanhangig was.

De burgemeester van Zeist had een last tot inbewaringstelling gegeven, waarna de officier van justitie verzoeken indiende voor zowel een voorlopige machtiging als een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. De rechtbank behandelde deze verzoeken gelijktijdig en verleende de voorlopige machtiging voor zes maanden, waarbij het verzoek tot voortzetting werd afgewezen.

De betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte eerst de voorlopige machtiging had verleend en dat dit niet in overeenstemming was met de wettelijke vereisten. De Hoge Raad oordeelde echter dat de wet niet voorschrijft dat een voorlopige machtiging alleen kan worden verleend na een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. De rechter heeft de vrijheid om het verzoek met de verste strekking eerst te behandelen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de voorlopige machtiging ook zonder voorafgaande machtiging tot voortzetting kan worden verleend, ook als de verzoeken gelijktijdig zijn ingediend. Hiermee werd het oordeel van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de rechtbank bevoegd was om de voorlopige machtiging toe te wijzen en het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling af te wijzen.

Uitspraak

1 februari 2013
Eerste Kamer
12/04783
DV/EP
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 327059/FA RK 12-4136 & 327035/FA RK 12-4130 van de Rechtbank Utrecht van 10 juli 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van de burgemeester van Zeist van 6 juli 2012 is ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 Wet Pro Bopz. Betrokkene is op grond van die last opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
(ii) Op maandag 9 juli 2012 heeft de officier van justitie onder overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 21 Wet Pro Bopz de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling.
(iii) Op 9 juli 2012 heeft de officier van justitie tevens, onder overlegging van de in art. 5 Wet Pro Bopz genoemde verklaring van de geneesheer-directeur, de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz.
(iv) De rechtbank heeft deze verzoeken gelijktijdig behandeld op 10 juli 2012, in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouw en een arts-assistent namens de behandelend psychiater. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend met een geldigheidsduur van zes maanden (tot en met 10 januari 2013).
De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank constateert dat het verzoek om een voorlopige machtiging zo is geredigeerd, dat deze machtiging in aansluiting op een voortgezette inbewaringstelling wordt verzocht. Dit betekent echter niet dat de voorlopige machtiging alleen kan worden verleend, wanneer er eerst een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is afgegeven door de rechtbank. (...) De BOPZ kent niet de voorlopige machtiging na voortzetting inbewaringstelling. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige machtiging is voldaan. Een voorlopige machtiging kan ook zonder voorafgaande (voortzetting van de) inbewaringstelling worden verleend.
Nu ter zitting door de arts-assistent is aangegeven dat de instelling een voorlopige machtiging noodzakelijk acht, zal de rechtbank het verzoek om de voorlopige machtiging eerst beoordelen."
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat aan de vereisten voor het verlenen van een voorlopige machtiging is voldaan en dat, gelet op de verlening van die machtiging, het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen.
3.2.1 Het middel klaagt in de kern dat de rechtbank ten onrechte - in weerwil van het gevoerde verweer - een voorlopige machtiging heeft verleend (voor de duur van zes maanden), terwijl op dat moment slechts beslist behoefde te worden over de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (voor een periode van drie weken).
3.2.2 Bij de beoordeling van de klacht wordt het volgende vooropgesteld.
Blijkens art. 20 lid Pro 2, aanhef en onder c, Wet Bopz is een last tot inbewaringstelling bedoeld voor gevallen waarin de situatie dermate spoedeisend is dat een voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht.
Een voorlopige machtiging kan ook worden verleend in niet-spoedeisende gevallen en de wet stelt niet de eis dat aan een voorlopige machtiging een inbewaringstelling is voorafgegaan (art. 2-14 Wet Bopz).
De Wet Bopz verzet zich niet ertegen dat indien een verzoek om een voorlopige machtiging is ingediend voordat is beslist over de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, terstond wordt beslist op het verzoek om een voorlopige machtiging. Ook indien beide verzoeken gelijktijdig worden gedaan, staat het de rechter vrij eerst het verzoek met de verste strekking te behandelen. Als de rechter van oordeel is dat is voldaan aan de vereisten voor het verlenen van een voorlopige machtiging, kan hij het desbetreffende verzoek toewijzen. Daaraan doet niet af dat de voorlopige machtiging voor een langere periode kan worden verleend dan de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. De klacht faalt dus.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 februari 2013.