Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
( [1] ):
,die betrokkene heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2].
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
( [5] )Dit noopt tot een strikte toepassing van de termijn.
( [6] )Hiermee laat zich niet verenigen het benutten van de in artikel 8a aan de rechter geboden bevoegdheid om zonodig de behandeling van het door de officier van justitie in eerste instantie ingediende verzoek aan te houden. In een en ander is voldoende aanleiding te vinden om te concluderen dat er bij de behandeling van een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling geen ruimte is voor toepassing van artikel 8a. In dit verband verdient overigens nog het volgende opmerking. Uit artikel 31 Wet Pro Bopz blijkt dat na verlening van de zojuist genoemde machtiging het mogelijk blijft nog een machtiging van een andere aard, zoals een voorlopige machtiging, aan te vragen en te verlenen. Niet valt in te zien dat de rechter hierop niet de aandacht zou mogen vestigen tijdens de behandeling van het verzoek om een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling maar dan wel zonder de beslissing op dit laatste verzoek aan te houden. Verder is het mogelijk dat de officier van justitie gelijktijdig een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling en een verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging indient en dat de rechter binnen de termijn van drie dagen beslist tot verlening van de voorlopige machtiging.
( [7] )Met het bewandelen van deze weg kunnen problemen als in het onderhavige geval gerezen worden voorkomen.
( [8] )en ontbrak vanaf die dag een geldige titel voor het vasthouden van betrokkene in het ziekenhuis. Niet is gebleken dat na 24 april 2015 aan betrokkene door de geneesheer-directeur op de voet van artikel 48 Wet Pro Bopz ontslag is verleend of dat betrokkene is gevraagd of zij op vrijwillige basis verder in het psychiatrisch ziekenhuis wilde verblijven. Een en ander brengt mee dat er van uit is te gaan dat betrokkene vanaf 24 april 2015 tot 18 mei 2015 in het psychiatrisch ziekenhuis heeft verbleven zonder geldige titel en ook niet op basis van uit een verklaring blijkende vrijwilligheid.
( [9] )
moetworden gebracht de tijd dat de betrokkene na het verstrijken van de beslistermijn in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen is geweest zonder dat daarvoor een geldige titel bestond en zonder dat betrokkene gevraagd was of hij bereid was niettemin in het ziekenhuis te blijven. Voor een geval waarin de rechtbank op een tijdig gedaan verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf niet, zoals in artikel 17 lid 2 Wet Pro Bopz voorgeschreven, binnen vier weken heeft beslist, heeft de Hoge Raad, na vooropgesteld te hebben dat er geen sprake was van een vrijwillig verblijf zolang de rechtbank nog niet op het verzoek had beslist, in een beschikking van 23 februari 1996
( [10] )overwogen:
“De rechter, die vrij is de duur van de machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen voor minder dan een jaar na dagtekening van zijn beschikking, kan bij de bepaling van die geldingsduur ook rekening houden met het aantal dagen waarmee hij de in art. 17 lid 2 bedoelde Pro termijn heeft overschreden. Hij is daartoe echter niet verplicht. Indien hij daartoe geen termen aanwezig acht, is hij in beginsel tot motivering daarvan niet gehouden.”
( [11] )en ook wanneer het nalaten van de verkorting wel of niet dient te worden gemotiveerd.
( [12] )al was verstreken. Dat brengt mee dat te dezen de beschikking van 23 februari 1996 van de Hoge Raad voor toepassing in aanmerking komt, indien men aan die beschikking gelding blijft toekennen voor wat betreft de daarin vervatte beslissing omtrent de verkorting van de wettelijk maximale duur van de aansluitende machtiging in geval van overschrijding door de rechter van de beslistermijn. In het licht van die beschikking treft onderdeel 3 geen doel, voor zover daarin geklaagd wordt over onjuiste rechtstoepassing door de rechtbank door de zes maanden van de verleende voorlopige machtiging niet te verkorten. Uit die beschikking volgt immers dat de rechter, indien hij beslist tot verlening van een aansluitende machtiging maar dat doet na overschrijding van de beslistermijn, niet verplicht is om de wettelijk maximale geldingsduur van de verleende machtiging te verkorten met het aantal dagen dat gelegen is tussen de einddatum van de beslistermijn en de dag van de beschikking waarmee de aansluitende machtiging wordt verleend. De rechtbank geeft geen motivering voor het achterwege laten van de verkorting. Die motivering hoefde de rechtbank blijkens de beschikking van 23 februari 1996 niet te geven, althans in beginsel niet. Er ligt echter in casu een vrij lange periode tussen de dag van overschrijding van de beslistermijn (24 april 2015) en de dag van de beschikking (18 mei 2015). Bij een dergelijk lange periode zou, naar het voorkomt, een motivering van het achterwege laten van een verkorting van de zes maanden termijn wel op zijn plaats zijn. Dat brengt mee dat de motiveringsklacht in onderdeel 3 wel doel treft.