ECLI:NL:HR:2013:BZ0521

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05347
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 288 lid 1 onder c FwArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken vindplaatsen in stukken

In deze zaak heeft verzoekster, woonachtig te een woonplaats, beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het geschil betreft de afwijzing van een toelatingsverzoek tot schuldsanering op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro c van de Faillissementswet.

De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage en het arrest van het gerechtshof, welke aan het arrest zijn gehecht. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten in het cassatieberoep klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden omdat in het verzoekschrift tot cassatie de vereiste vermelding van vindplaatsen in de stukken van het geding in feitelijke instanties ontbreekt. Hierdoor voldoen de klachten niet aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv Pro. Gezien artikel 80a lid 1 RO en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Het arrest is gewezen door de vice-president Bakels als voorzitter en de raadsheren Drion en Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth op 1 maart 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van vindplaatsen in het verzoekschrift.

Uitspraak

1 maart 2013
Eerste Kamer
12/05347
TT/TJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. van der Beek.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 414674/FT RK 12-609 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2012;
b. het arrest in de zaak 200.108.705/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
3. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dit is reeds het geval omdat in het verzoekschrift tot cassatie een vermelding ontbreekt van de vindplaatsen in de stukken van het geding in de feitelijke instanties van de ter toelichting van de klachten aangevoerde stellingen, zodat de klachten niet voldoen aan de daaraan op grond van art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen.
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.E. Drion en A.H.T. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.