ECLI:NL:HR:2013:BZ7201

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/01231
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang bij tussentijdse beëindiging WSNP

Verzoekers hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) zonder verlening van een schone lei. Het hof had het beroep van verzoekers afgewezen. De advocaat-generaal stelde niet-ontvankelijkheid voor op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat verzoekers onvoldoende belang zouden hebben bij de cassatie.

De Hoge Raad heeft het standpunt van de advocaat-generaal gevolgd en geoordeeld dat de klachten van verzoekers geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verzoekers klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak is gedaan door de vice-president als voorzitter en de raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer. De procedure in de feitelijke instanties en het cassatieberoep zijn in het arrest samengevat, waarbij verwezen wordt naar eerdere vonnissen en het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

24 mei 2013
Eerste Kamer
13/01231
EE/TJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met insolventienummers 11.291-R + 11.292-R van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2011 en 16 januari 2013;
b. het arrest in de zaak 200.120.510/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [verzoeker] c.s. heeft bij brief van 10 april 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2.2 en 2.3).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 24 mei 2013.