ECLI:NL:HR:2013:BZ9147
Hoge Raad
- Cassatie
- F.B. Bakels
- A.H.T. Heisterkamp
- C.E. Drion
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij tussentijdse WSNP-beëindiging
In deze zaak betrof het een verzoek tot cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) wegens het ontstaan van nieuwe schulden. Verzoeker, wonende te een woonplaats, was het niet eens met het arrest van het hof en stelde beroep in cassatie in.
De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). Verzoekers advocaat reageerde hierop, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden. Dit omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Na afweging van de argumenten en het horen van de Procureur-Generaal besloot de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 7 juni 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang van verzoeker.