ECLI:NL:HR:2014:1007

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2014
Publicatiedatum
24 april 2014
Zaaknummer
13/05575
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelasting 2005

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2013, waarin het hoger beroep was behandeld over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2005. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en stelde tevens incidenteel cassatieberoep in.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen van zowel het principale als het incidentele beroep en oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Dit omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat geen nadere motivering noodzakelijk was.

Verder wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af, omdat daartoe geen gronden aanwezig waren. Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad beide cassatieberoepen ongegrond en sprak het arrest uit op 25 april 2014.

De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam en sluit het geschil over de aanslag inkomstenbelasting 2005 definitief af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van belanghebbende en het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

25 april 2014
Nr. 13/05575
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 oktober 2013, nr. 10/00963, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s‑Gravenhage (nr. AWB 08/8413) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft in het principale beroep de zaak doen toelichten door mr. Meijer, advocaat te ’s‑Gravenhage.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.