ECLI:NL:HR:2014:108

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2014
Publicatiedatum
20 januari 2014
Zaaknummer
13/02896
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over bewijs van beboetbare feiten in vermogensbelasting en verwijst zaak terug

In deze zaak betrof het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrente over de jaren 1991 tot en met 2000 in de vermogensbelasting. De Hoge Raad had eerder het arrest van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar Den Haag met instructies over het bewijs van beboetbare feiten.

Het Hof Den Haag oordeelde dat de Inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat belanghebbende de beboetbare feiten had begaan, mede omdat geen wezenlijk nieuwe gegevens waren aangedragen sinds de eerdere procedure. De Hoge Raad stelt dat het Hof de verwijzingsopdracht onjuist heeft geïnterpreteerd en dat het verwijzingsarrest geen oordeel gaf over de waardering van het bewijs in deze zaak.

Daarnaast miskent het Hof volgens de Hoge Raad de relevante overwegingen uit een eerder arrest van 28 juni 2013. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling, waarbij het Hof moet nagaan of de Inspecteur voldoende bewijs heeft geleverd en of de opgelegde boeten passend en geboden zijn.

De Hoge Raad wijst verder af om proceskosten toe te wijzen en laat dit over aan het verwijzingshof. De uitspraak is gedaan door raadsheren Schaap, Fierstra en Groeneveld op 24 januari 2014.

Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

24 januari 2014
nr. 13/02896
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 26 april 2013, nr. BK-12/00090, betreffende de aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam is bij arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2012, nr. 11/01376, ECLI:NL:HR:2012:BV1910, (hierna: het verwijzingsarrest) vernietigd uitsluitend wat betreft de verhogingen voor de jaren 1991 tot en met 1998 en de opgelegde boeten voor de jaren 1999 en 2000, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3.Beoordeling van het middel

3.1.1.
In het verwijzingsarrest is geoordeeld dat het gerechtshof Amsterdam wat betreft de beoordeling van de onderscheiden verhogingen en boeten (hierna tezamen: boeten) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe is met name verwezen naar de waarborgen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM en de gevolgen die daaraan moeten worden verbonden in het kader van de vraag of de Inspecteur voor elk van de jaren 1991 tot en met 2000 het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het beboetbare feit heeft begaan.
3.1.2.
Bij zijn oordeel omtrent dit door de Inspecteur te leveren bewijs is het Hof ervan uitgegaan dat de Inspecteur voor het gerechtshof Amsterdam “wat dat aangaat kennelijk heeft tekortgeschoten”. In het bijzonder in aanmerking nemende dat vergeleken met de procedure voor het gerechtshof Amsterdam geen wezenlijk nieuwe gegevens zijn aangedragen en geen wezenlijk andere argumenten zijn gehanteerd, heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur opnieuw onvoldoende heeft bewezen dat belanghebbende voor enig jaar het beboetbare feit heeft begaan.
3.1.3.
Het eerste middelonderdeel betoogt terecht dat het Hof de verwijzingsopdracht onjuist dan wel te beperkt heeft uitgelegd. Met de hiervoor in 3.1.1 vermelde algemene overwegingen in het verwijzingsarrest over het vermoeden van onschuld is geen oordeel gegeven omtrent de waardering van de bewijsmiddelen in het onderhavige geval. Uit het verwijzingsarrest kan dan ook niet worden afgeleid dat de Inspecteur voor het gerechtshof Amsterdam was tekortgeschoten in het door hem te leveren bewijs, waarvan het Hof bij zijn oordeel is uitgegaan.
3.2. ’
s Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de onderscheiden boeten voorts blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 3.4 tot en met 3.8 van het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207 (hierna: het arrest van 28 juni 2013). Het tweede middelonderdeel slaagt eveneens.
3.3. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In de procedure na verwijzing dient mede acht te worden geslagen op de onderdelen 3.4 tot en met 3.8 van het arrest van 28 juni 2013.
3.4.
In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:
(i) of de Inspecteur voor elk van de boeten het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en
(ii) (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) of elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2014.