Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De bestreden uitspraak
3 Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 mei 2014.
Hoge Raad
Betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het beroep te laat was ingesteld.
De kern van het geschil betrof de vraag of de raadsman mr. Slewe op de terechtzitting van 29 oktober 2009 uitdrukkelijk gemachtigd was om namens betrokkene te verdedigen, en of daardoor de beroepstermijn van veertien dagen na de uitspraak van 10 december 2009 was gaan lopen zonder dat een aparte kennisgeving aan betrokkene nodig was.
Het hof stelde vast dat mr. Slewe ter zitting aanwezig was en het woord voerde, en dat betrokkene later verklaarde hem toestemming te hebben gegeven. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat mr. Slewe als gemachtigd raadsman optrad. Hierdoor was de beroepstermijn van veertien dagen na de uitspraak van toepassing en was het beroep van betrokkene, ingesteld op 23 maart 2011, te laat.
De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van betrokkene in het hoger beroep. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van artikel 279 Sv Pro en de kennisgevingseisen onder artikel 511e Sv in gevallen van gemachtigde raadsman.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.