Conclusie
Nummer21/03469
[verdachte] ,
schorst hierop het onderzoek tot 18 juni 2021 te 09:00 uur, opdat de behandeling van de zaak dan voortgezet kan worden, en bepaalt dat voor de inhoudelijke behandeling van de zaak
40 minutendient te worden uitgetrokken;
beveelt de oproeping van de benadeelde partij voor de nadere terechtzitting;
[verdachte] ,
NJ2002, 339.’
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof op de bezwaren van de verdediging tegen de wijziging van de tenlastelegging heeft geoordeeld dat er sprake was van hetzelfde feit en derhalve geen reden zag de wijziging niet goed te keuren. Aangevoerd wordt dat er een groot verschil in strafmaximum bestaat tussen het op de dagvaarding vermelde feit schuldheling en het bij wijziging van de tenlastelegging daaraan subsidiair toegevoegde feit schuldwitwassen. Volgens de steller van het middel motiveert het hof onvoldoende waarom en op welke gronden van hetzelfde feit sprake is. Ook wordt geklaagd dat, voor zover het hof het primair ten laste gelegde beschouwde als het gronddelict, onvoldoende is onderbouwd ‘waarom dat zo is en er kennelijk een relatie bestaat tussen beide ten laste gelegde delicten’.
Tenlastelegging
‘Akte instellen hoger beroep
tweedemiddel is gericht tegen de bewijsvoering. Het bevat de klacht dat het hof niet ‘inhoudelijk’ heeft gemotiveerd waarom veroordeling wegens het subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen mogelijk was, terwijl het hof de verdachte vrijsprak van de primair ten laste gelegde ‘en daarmee het gronddelict onderuit haalde waarmee hij is vrijgesproken van het voorhanden hebben gehad van een bedrag van € 2571 en van het hebben van een redelijk vermoeden dat dit bedrag van diefstal was verkregen’. Volgens de steller van het middel was er ‘sprake van ne bis in idem en daarmee strijd met artikel 50 van Pro het Handvest en in strijd met een goede procesorde die mede door artikel 6 EVRM Pro wordt beschermd’.
enigmisdrijf. Het hof heeft in het midden gelaten om welk misdrijf het ging, en dat mocht het ook doen. [22] Dat de verdachte is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, betekent voorts niet dat er daarom geen grondfeit is. Voor zover het middel daarvan uitgaat mist het feitelijke grondslag.
andermaalwordt vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in het Koninkrijk der Nederlanden
onherroepelijkis beslist, als bedoeld in art. 68, eerste lid, Sr, is in zo’n geval geen sprake. Ook van strijd met art. 50 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dan wel een goede procesorde is geen sprake
derdemiddel bevat een klacht over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn. Aangevoerd wordt dat ‘de totale procedure te rekenen vanaf 31 december 2018 tot heden 3 jaar en iets minder dan 5 maanden heeft geduurd terwijl de aangifte dateert van september 2017’. De steller van het middel merkt daarbij op dat de verdachte op 31 december 2018 al niets meer bekend was van wat bijna 15 maanden daarvoor had plaatsgevonden. ‘Hij kon zich niets meer herinneren. Wat hij wist had hij van de rechercheur/hulpofficier gehoord. Hij is daardoor in zijn verdediging geschaad’, aldus de steller van het middel.
vierdemiddel komt op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde ] . Het oordeel van het hof dat niet is gebleken van een aan de benadeelde partij toe te rekenen omstandigheid zou niet begrijpelijk zijn. Aangevoerd wordt dat het een gegeven van algemene bekendheid is dat met het verstrekken aan onbekenden van gegevens waarmee betalingen van een bankrekening kunnen worden gedaan de macht over de bankrekening uit handen wordt gegeven en dat dit tot schade kan lijden. Het risico daarvan ligt bij de benadeelde partij, aldus de steller van middel. De schade zou daarom geheel of gedeeltelijk aan de benadeelde partij dienen te worden toegerekend. Verwezen wordt naar de appelschriftuur; aangevoerd wordt dat het openbaar ministerie inhoudelijk op het eigen schuld verweer had dienen in te gaan. Ook wordt aangevoerd dat het niet beperken van de schade door de benadeelde partij (door, zo begrijp ik, na de eerste afschrijving zijn rekening te blokkeren) een aan de benadeelde partij toe te rekenen omstandigheid is. het hof zou niet voldoende hebben gemotiveerd ‘waarom er geen sprake was van een omstandigheid die aan de benadeelde partij was toe te rekenen’.
BESLISSING
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde ]
€ 2.571,00 (tweeduizend vijfhonderdeenenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Beoordeling en beslissing rechter