Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 mei 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland over de overname van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf opgelegd door het Landgericht te München. De veroordeelde werd veroordeeld voor het ongeoorloofd handelen en invoeren van verdovende middelen in niet geringe hoeveelheid, strafbaar gesteld onder de Duitse Opiumwet en het Duitse Wetboek van Strafrecht.
De Rechtbank had bij de strafoplegging een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd, waarbij zij de ernst van het gepleegde feit beoordeelde naar de normen van het land waar het feit was begaan, namelijk Duitsland. De Hoge Raad oordeelde dat dit een onjuiste rechtsopvatting is, omdat de strafoplegging moet geschieden naar Nederlandse maatstaven en opvattingen, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van de dader.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6410) en benadrukt dat de exequaturrechter de opgelegde buitenlandse straf moet vervangen door een straf die naar Nederlands recht passend is, zonder de duur of omvang daarvan te overschrijden. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Midden-Nederland voor hernieuwde behandeling en beslissing.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van artikel 31 WOTS Pro en artikel 9 van Pro het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen, waarbij de Nederlandse rechter de strafoplegging moet baseren op Nederlandse normen, met inachtneming van internationale gevoeligheden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling en beslissing.