Conclusie
eerste middelklaagt dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 31 lid 1 WOTS Pro “de ernst van de feiten [heeft] laten afhangen van de ernst van de feiten die de Belgische rechter heeft vastgesteld”. Daarbij wordt een beroep gedaan op HR 28 januari 2014. [1] Gelet op deze verwijzing lees ik de klacht zo dat kennelijk bedoeld wordt te klagen dat de rechtbank bij de strafoplegging de ernst van het gepleegde feit beoordeeld heeft naar de normen van het Belgische recht, terwijl de rechtbank bij de strafoplegging de Nederlandse maatstaven had moeten hanteren.
tweede middelvat ik zo op dat het klaagt dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen niet onherroepelijk is zodat het niet ten uitvoer kan worden gelegd. Als ik het middel goed begrijp dan berust het op de veronderstelling dat het arrest niet onherroepelijk is omdat [de veroordeelde] bij verstek is veroordeeld. Daartoe wordt een beroep gedaan op een vonnis van het Oberlandesgericht Oldenburg van 25 juni 2012 waarvan in cassatie een afschrift is overgelegd.
[…]
Gehoord 2de beklaagde in zijn verdedigingsmiddelen bijgestaan door Mr. J. Millen, advocaat te Hoeselt.”
[…]
beklaagde
aanwezig, bijgestaan door Meester Jurgen Millen”.