ECLI:NL:PHR:2015:75

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2015
Publicatiedatum
19 februari 2015
Zaaknummer
14/05095
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 lid 3 WOTSArt. 31 lid 1 WOTSArt. 11 lid 1 onder a VOGP 1983Art. 42 EVIGS 1970Art. 21 lid 2 EVIGS 1970
Verwijzingen
23 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing Nederlandse strafmaat bij tenuitvoerlegging buitenlands vonnis

In deze zaak gaat het om de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar wegens deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Belgische Opiumwet. De rechtbank in Nederland heeft de straf omgezet naar zeven jaar gevangenisstraf volgens Nederlandse maatstaven.

De veroordeelde stelde in cassatie onder meer dat de Nederlandse rechtbank ten onrechte de ernst van het feit beoordeelde naar de Belgische normen in plaats van de Nederlandse, en dat het Belgische arrest niet onherroepelijk zou zijn omdat het bij verstek was gewezen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank gebonden is aan de feitenvaststelling van de buitenlandse rechter, maar de strafoplegging moet plaatsvinden volgens de Nederlandse maatstaven. Verder is vastgesteld dat de veroordeelde aanwezig was bij de buitenlandse zittingen, zodat geen sprake is van een verstekvonnis.

Daarnaast merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de rechtbank ten onrechte het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP 1983) toepaste in plaats van het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (EVIGS 1970), dat de juiste verdragsgrondslag biedt voor de tenuitvoerlegging in deze situatie. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het vonnis.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van het Belgische arrest in Nederland met toepassing van de Nederlandse strafmaat.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tenuitvoerlegging van het Belgische arrest met toepassing van de Nederlandse strafmaat wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 14/05095
Zitting: 3 februari 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[de veroordeelde]
Bij vonnis van 19 augustus 2014 heeft de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, verlof verleend tot de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van 5 november 2010 waarbij [de veroordeelde] wegens deelneming aan een criminele organisatie en overtreding van de Belgische Opiumwet is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. De rechtbank heeft [de veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.
Mr. H.P. Ruysink, advocaat te Bunde, heeft bij schriftuur namens de veroordeelde een middel van cassatie voorgesteld. In een aanvullende schriftuur is op 12 januari 2015 nog een grief naar voren gebracht die als tweede middel van cassatie kan worden aangemerkt.
Het
eerste middelklaagt dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 31 lid 1 WOTS Pro “de ernst van de feiten [heeft] laten afhangen van de ernst van de feiten die de Belgische rechter heeft vastgesteld”. Daarbij wordt een beroep gedaan op HR 28 januari 2014. [1] Gelet op deze verwijzing lees ik de klacht zo dat kennelijk bedoeld wordt te klagen dat de rechtbank bij de strafoplegging de ernst van het gepleegde feit beoordeeld heeft naar de normen van het Belgische recht, terwijl de rechtbank bij de strafoplegging de Nederlandse maatstaven had moeten hanteren.
4. In het middel wordt gewezen op het volgende onderdeel van de strafmotivering van de rechtbank:
“De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf, die naar Nederlands recht moet worden opgelegd, rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van veroordeelde. Bij dit alles is de rechtbank, ingevolge artikel 28, derde lid, WOTS gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.”
5. Inderdaad is de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 28 lid 3 WOTS Pro “gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zij treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.” Eenzelfde gebondenheid is voorgeschreven in artikel 11 lid 1 onder Pro a van het in deze zaak door de rechtbank toegepaste Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP 1983). [2] Ook artikel 42 van Pro het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (hierna: EVIGS 1970) – het verdrag dat de rechtbank eigenlijk had moeten toepassen, waarover hierna meer – schrijft de binding voor aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden zoals die in de buitenlandse beslissing uiteen zijn gezet. [3] De gebondenheid van de Nederlandse rechter “aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd”, is vastgelegd in artikel 28 lid 3 WOTS Pro waarop de rechtbank heeft gewezen.
6. De gebondenheid van de Nederlandse rechter aan de vaststelling van de feiten door de buitenlandse rechter is echter iets anders dan de beoordeling van de Nederlandse rechter van de ernst van het gepleegde naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. Dat laatstgenoemde uitgangspunt heeft de Hoge Raad afgewezen, onder meer in het arrest waarop in het middel een beroep wordt gedaan, als zijnde in strijd met art. 31 lid 1 WOTS Pro waarin is bepaald dat het opleggen van de straf of maatregel moet gebeuren aan de hand van de maatstaven die voor het overeenkomstige feit naar Nederlands recht gelden.
7. Uit niets blijkt dat de rechtbank “tot uitgangspunt heeft genomen dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan”, Integendeel: de rechtbank heeft overwogen dat zij de straf heeft bepaald “die naar Nederlands recht moet worden opgelegd”. Het middel berust dus op een verkeerde lezing van het vonnis.
8. Het middel faalt.
9. Het
tweede middelvat ik zo op dat het klaagt dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen niet onherroepelijk is zodat het niet ten uitvoer kan worden gelegd. Als ik het middel goed begrijp dan berust het op de veronderstelling dat het arrest niet onherroepelijk is omdat [de veroordeelde] bij verstek is veroordeeld. Daartoe wordt een beroep gedaan op een vonnis van het Oberlandesgericht Oldenburg van 25 juni 2012 waarvan in cassatie een afschrift is overgelegd.
10. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat de vraag of een arrest onherroepelijk is een feitelijk oordeel betreft, zodat deze niet voor het eerst met succes in cassatie kan worden opgeworpen. Nu dit het geval is, het verweer is bij de rechtbank niet gevoerd, zou ik het hierbij kunnen laten. Maar ik wil de Hoge Raad de veroordeelde en diens raadsman het navolgende niet onthouden, ook al is dat ten overvloede.
11. De brief van 25 april 2014, waarmee de zaak namens de Minister van Veiligheid & Justitie is doorgestuurd aan de hoofdofficier van justitie te Heerlen, houdt in dat het vonnis (lees: arrest) onherroepelijk is. Uit klaarblijkelijk door de Belgische autoriteiten op het overgelegde arrest van het Hof van Beroep gemaakte aantekeningen blijkt dat op 8 november 2010 cassatieberoep is ingesteld en dat het Hof van Cassatie dit beroep op 22 maart 2011 heeft verworpen. Voorts blijkt uit de stukken dat op 20 juni 2011 aan de veroordeelde in persoon een zogenoemd hechtenisbevel is uitgereikt dat inhoudt dat hij zich “binnen de VIJF DAGEN na ontvangst van het gevangenisbriefje, voor 15 uur, zich moet gevangen geven” en dat hij “zal worden gevat, zo hij […] zich niet gevangen geeft”. Een en ander ondersteunt de mededeling in de brief van 25 april 2014 dat het arrest onherroepelijk is. Ook de Rechtbank heeft in haar vonnis vastgesteld dat het arrest onherroepelijk is.
12. Het in cassatie overgelegde vonnis van het Oberlandesgericht Oldenburg van 25 juni 2012 roept echter wel de vraag op of om de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis wordt gevraagd. Het vonnis van het Oberlandesgericht heeft namelijk betrekking op de overlevering van [de veroordeelde], die was verzocht door de Belgische autoriteiten ter zake van het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen waarvan nu de tenuitvoerlegging in Nederland wordt verzocht. Het Oberlandesgericht heeft de overlevering geweigerd omdat het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen een verstekvonnis (“Versäumnisurteil”) betreft. Voor mij was dit aanleiding ambtshalve te kijken naar het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen op het hoger beroep dat is ingesteld tegen een vonnis van de Correctionele Rechtbank Tongeren van 24 december 2008. Het laatstgenoemde vonnis houdt op bladzijde 12 het volgende in:
“Zitting 1.10.2008
[…]
Gehoord 2de beklaagde in zijn verdedigingsmiddelen bijgestaan door Mr. J. Millen, advocaat te Hoeselt.”
13. Op de eerste bladzijde van dit vonnis is als tweede beklaagde aangewezen “[de veroordeelde]”. Op bladzijde 29 houdt het vonnis nog in: “De Correctionele Rechtbank, die zitting houdt in eerste aanleg en uitspraak doet bij verstek ten overstaande [betrokkene 1] en op tegenspraak ten overstaande van de overige beklaagden.” Met andere woorden: de veroordeelde is in ieder geval aanwezig geweest tijdens de behandeling van diens zaak ter terechtzitting van de Correctionele Rechtbank Tongeren op 1 oktober 2008 en de Correctionele Rechtbank heeft hem op tegenspraak veroordeeld.
14. Ook in hoger beroep is de veroordeelde aanwezig geweest bij de behandeling van zijn zaak. Aanvankelijk is echter op 12 maart 2010 een arrest bij verstek gewezen tegen [de veroordeelde]. Daartegen heeft [de veroordeelde] verzet aangetekend, dat bij arrest van 25 juni 2010 ontvankelijk is verklaard waarna [de veroordeelde] vervolgens ter terechtzitting is verschenen. Het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 november 2010 houdt op bladzijde 1 het volgende in:
“2. [de veroordeelde]
[…]
beklaagde
aanwezig, bijgestaan door Meester Jurgen Millen”.
15. Nu de veroordeelde aanwezig is geweest op de terechtzitting van zowel de Correctionele Rechtbank als van het Hof van Beroep, is volgens artikel 21 lid 2 EVIGS Pro 1970 geen sprake van een verstekvonnis. [4]
16. Het tweede middel faalt.
17. Ambtshalve merk ik op dat de rechtbank ten onrechte het VOGP 1983 heeft toegepast in plaats van het EVIGS 1970, dat België aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Nu België en Nederland partij zijn bij beide verdragen, is het aan de verzoekende staat om de verdragsgrondslag aan te wijzen. [5] Die aanwijzing is bindend. [6] Voor de overdracht van de tenuitvoerlegging van het Belgische strafvonnis biedt ook alleen het EVIGS 1970 de in artikel 2 WOTS Pro vereiste verdragsbasis omdat het VOGP 1983 betrekking heeft op de situatie dat de veroordeelde moet worden overgebracht, terwijl in de onderhavige zaak de veroordeelde zich ten tijde van het verzoek van de Belgische autoriteiten tot overname al in Nederland bevond. Het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen kan alleen worden toegepast indien de veroordeelde is ontvlucht en daarvan blijkt uit de stukken niets. [7] Het EVIGS 1970 voorziet evenwel in de tenuitvoerlegging van de daarin genoemde sancties, waaronder sancties die vrijheidsbeneming meebrengen, los van de fysieke overdracht van de veroordeelde, waarvoor het overigens ook een basis biedt. Met andere woorden: de rechtbank had het EVIGS 1970 moeten toepassen omdat België dat verdrag aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd en het VOGP 1983 niet in de vereiste verdragsbasis voorziet omdat de veroordeelde zich reeds in Nederland bevond. Tot ambtshalve cassatie geeft dit echter geen aanleiding. [8] Ik merk het toch op als handreiking voor de praktijk.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2014:177. Zie ook HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1162.
2.Straatsburg 21 maart 1983, Trb. 1983, 74, p. 12 “In the case of conversion of sentence, the procedures provided for by the law of the administering State apply. When converting the sentence, the competent authority:
3.Den Haag 28 mei 1970, Trb. 1971, 137, p. 26 “The requested State shall be bound by the findings as to the facts insofar as they are stated in the decision or insofar as it is impliedly based on them.” Het EVIGS 1970 is in werking getreden op 26 juli 1974, voor Nederland op 1 januari 1988 (Trb. 1987, 162, p. 9) voor België 1 oktober 2010 (Trb. 2012, 12, p. 8-9).
4.Trb. 1971, 137, p. 14 “Except as provided in paragraph 3, a judgment in absentia for the purposes of this Convention means any judgment rendered by a court in a Contracting State after criminal proceedings at the hearing of which the sentenced person was not personally present.”
5.Art. 22 lid 4 VOGP Pro 1983 “If a request for transfer falls within the scope of both the present Convention and the European Convention on the International Validity of Criminal Judgments or another agreement or treaty on the transfer of sentenced persons, the requesting State shall, when making the request, indicate on the basis of which instrument it is made.”
6.HR 20 november 1997, ECLI:NL:HR:2007:BA7927 r.o. 3.5.
7.Art. 2 lid Pro 2, Straatsburg 18 december 1997, Trb. 1998, 64 p. 2 “Where a national of a Party who is the subject of a sentence imposed in the territory of another Party as a part of a final judgment, seeks to avoid the execution or further execution of the sentence in the sentencing State by fleeing to the territory of the former Party before having served the sentence, the sentencing State may request the otherParty to take over the execution of the sentence.” In werking getreden op 1 juni 2000, voor Nederland op 1 oktober 2002 (Trb. 2002, 127, p. 3) voor België op 1 september 2005 (Trb. 2009, 37, p. 1).
8.HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4289 r.o. 2.2 en dictum.