Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Hertogenboschvan 14 september 2012, nr. 11/00592, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap, had in 2006 winkel- en woonobjecten verkocht en tegelijkertijd een kantoorpand gekocht, waarbij ook een aandelenoverdracht plaatsvond aan een gelieerde vennootschap. De vraag was of de boekwinst uit de verkoop van de objecten in mindering mocht worden gebracht op de aanschafkosten van het kantoorpand via toepassing van artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en artikel 3.54 van de Wet IB 2001.
Het Hof oordeelde dat artikel 15e van de Wet Vpb van toepassing was, omdat er een directe samenhang bestond tussen de herinvestering en de aandelenoverdracht, waardoor de herinvesteringsreserve materieel door de nieuwe aandeelhouder werd benut. Dit ondanks dat de aandelenoverdracht juridisch na de herinvestering plaatsvond en er formeel geen herinvesteringsreserve meer was op het moment van de belangwijziging.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat artikel 15e niet van toepassing zou zijn indien herinvestering en belangwijziging in hetzelfde jaar plaatsvinden. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever met artikel 15e beoogde handel in vennootschappen met herinvesteringsreserves tegen te gaan, ook als herinvestering en belangwijziging direct op elkaar volgen. De Hoge Raad oordeelde dat toepassing van artikel 15e gerechtvaardigd is om fraus legis te voorkomen, omdat de rechtshandelingen een samenstel vormden gericht op het ontwijken van vennootschapsbelasting.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.