Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
6.Beslissing
3 juni 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het medeplegen van het telen en bewerken van hennepplanten op meerdere locaties in de periode mei tot augustus 2008. Het hof had de feiten gekwalificeerd als meermalen gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, maar voegde ten onrechte de kwalificatie 'meermalen gepleegd' toe, terwijl dit reeds in de bewezenverklaring was vervat.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 11, derde lid, van de Opiumwet niet als een persoonlijk werkende strafverhogende omstandigheid in de zin van artikel 50 Sr Pro moet worden beschouwd. Tevens werd vastgesteld dat het opzet van de verdachte mede gericht moest zijn op het beroepsmatige handelen van zijn mededader om deze kwalificatie toe te passen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, wat aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden (waarvan zes voorwaardelijk) met drie maanden. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie en strafoplegging, verbeterde de kwalificatie en verminderde de straf tot 27 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de president en raadsheren van de Hoge Raad op 3 juni 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest, verbetert de kwalificatie en vermindert de straf tot 27 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.